Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BE9536

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-08-2008
Datum publicatie
04-09-2008
Zaaknummer
06-877 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering WAO-uitkering. Toepassing Wet sociale zekerheidsrechten gedetineerden. Eigendomsrecht, ontneming, formele rechtskracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2008/343
NJB 2008, 1768
ABkort 2008/381
USZ 2008/320
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/877 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 21 december 2005, 05/487 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 21 augustus 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Serrarens, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Serrarens. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. F.W.M. Keunen en W.J.M.H. Lagerwaard.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellant is met ingang van 3 december 1973 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Sinds 1999 was appellant gedetineerd.

1.2. Na de inwerkingtreding van de Wet sociale zekerheidsrechten gedetineerden (Wsg) per 1 mei 2000 heeft het Uwv onderzocht of deze wet van invloed was op appellants recht op WAO-uitkering. In verband met dit onderzoek heeft het Uwv appellants uitkering bij besluit van 25 juli 2000 met ingang van 1 augustus 2000 geschorst. Appellants bezwaar tegen dit besluit is op 11 oktober 2000 ongegrond verklaard.

1.3. Bij besluit van 6 oktober 2000 heeft het Uwv appellants uitkering ingevolge de WAO met ingang van 1 juni 2000 ingetrokken. Het bezwaar daartegen is bij besluit van

25 oktober 2001 ongegrond verklaard.

1.4. Op 24 januari 2001 heeft het Uwv van appellant de over de periode van 1 juni 2000 tot en met 31 juli 2000 ten onrechte betaalde uitkering teruggevorderd. Bij besluit van 8 mei 2001 heeft het Uwv dit terugvorderingsbesluit gehandhaafd. Het namens appellant tegen dit besluit ingestelde beroep is door de rechtbank bij uitspraak van 24 april 2002 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is door de Raad op 9 december 2003 bevestigd.

1.5. In zijn uitspraak van 18 juni 2004 (LJN: AP4680) heeft de Raad in een aantal gedingen omtrent de toepassing van de Wsg geoordeeld dat de wetgever door de uitkering van uitkeringsgerechtigden die op 1 mei 2000 reeds een uitkering ontvingen en aan wie op die datum reeds hun vrijheid was ontnomen, met een overgangstermijn van één maand te beëindigen, in strijd heeft gehandeld met artikel 1 van Protocol nr. 1 bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). De Raad heeft daarbij ten overvloede als zijn oordeel gegeven dat een overgangstermijn van zes maanden vanaf de inwerkingtreding van de Wsg wel in overeenstemming zou kunnen worden geacht met artikel 1 van het EP. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft appellant zich tot het Uwv gewend met het verzoek hem alsnog zes maanden uitkering uit te betalen.

1.6. Bij besluit van 3 september 2004 heeft het Uwv geweigerd appellant alsnog een overgangstermijn van 6 maanden te gunnen. Het Uwv heeft daarbij opgemerkt dat het besluit van 25 oktober 2001 rechtens onaantastbaar is geworden. Het namens appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 9 maart 2005 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat het besluit van het Uwv van 25 oktober 2001 rechtens onaantastbaar is geworden, zodat de vraag voorligt of sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die het Uwv ertoe hadden moeten brengen van dat besluit terug te komen. De rechtbank heeft verwezen naar de vaste rechtspraak van de Raad volgens welke totstandkoming of wijziging van rechtspraak niet wordt aangemerkt als een nieuw feit of veranderde omstandigheid. Met betrekking tot het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 16 april 2002,

Dangeville v. Frankrijk, 36677/97 (AB 2004, 75), naar welk arrest appellants gemachtigde had verwezen, heeft de rechtbank overwogen dat appellants geval niet met die zaak vergelijkbaar is, nu in die zaak alle nationale rechtsmiddelen waren uitgeput. Appellants stelling dat hem niet kon worden verweten de nationale rechtsmiddelen niet te hebben uitgeput omdat hij eerst in 2003 kennis heeft genomen van het besluit van 25 oktober 2001 en hem op dat moment de financiële middelen ontbraken om tegen dat besluit in beroep te gaan, heeft de rechtbank verworpen.

3. Ook in hoger beroep heeft appellants gemachtigde naar voren gebracht dat appellant weliswaar de nationale rechtsmiddelen niet heeft uitgeput, doch dat hem dit niet te verwijten valt omdat hij in 2003, toen hij van het besluit van 25 oktober 2001 kennis nam, niet in staat was beroep in te stellen. Daarbij is erop gewezen dat hem destijds een toevoeging van rechtshulp is geweigerd. Ook in hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant in dit verband verwezen naar het arrest Dangeville.

4.1. Met betrekking tot deze grond overweegt de Raad als volgt.

4.1.1. In het arrest Dangeville, waarin sprake is van een doorbreking van de formele rechtskracht van besluiten of rechterlijke uitspraken, gaat het in alle gevallen om zaken waarin de betrokkene de nationale rechtsmiddelen heeft uitgeput dan wel waarin de betrokkene niet valt te verwijten dat hij de nationale rechtsmiddelen niet heeft uitgeput. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de situatie van appellant hiermee niet vergelijkbaar is.

4.1.2. De Raad stelt vast dat het appellant heeft vrijgestaan een rechtsmiddel aan te wenden tegen het besluit van het Uwv van 25 oktober 2001. Zo hij dat besluit in 2001 al niet zou hebben ontvangen - hetgeen hier in het midden kan blijven - stelt de Raad vast dat appellant daarvan in elk geval kennis heeft kunnen dragen na de ontvangst van de uitspraak van de rechtbank van 24 april 2002 ten aanzien van het terugvorderingsbesluit. In die uitspraak wordt het besluit van 25 oktober 2001 uitdrukkelijk vermeld. Het ligt zelfs voor de hand dat het besluit zich onder de gedingstukken in die procedure bevond, zodat de kennisname al eerder heeft plaatsgevonden. De Raad stelt vast dat appellant in de beroepsprocedure rond het terugvorderingsbesluit over rechtsbijstand beschikte. Niets heeft toen derhalve aan het aanwenden van een rechtsmiddel tegen het besluit van

25 oktober 2001 in de weg gestaan. Overigens merkt de Raad op dat ook indien appellant eerst in 2003 van het besluit van 25 oktober 2001 had kunnen kennisnemen en hij op dat moment geen beroep op rechtsbijstand kon doen, het hem heeft vrij gestaan zelf beroep bij de rechtbank in te stellen. De Raad merkt in dit verband op dat appellant in de procedure rond het terugvorderingsbesluit zelf hoger beroep bij de Raad heeft ingesteld. Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat appellant met betrekking tot het besluit tot intrekking van zijn WAO-uitkering om hem moverende redenen heeft nagelaten de nationale rechtsmiddelen uit te putten, zodat in de jurisprudentie van het EHRM geen aanknopingspunt kan worden gevonden voor het oordeel dat het Uwv het besluit van 25 oktober 2001 aan een volledige heroverweging had moeten onderwerpen.

4.2. Ook in het nationale recht en de daarover gevormde jurisprudentie kan geen aanleiding kan worden gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit geen stand kan houden. De Raad kan zich vinden in hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen. Hiertegen zijn namens appellant geen gronden aangevoerd.

4.3. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en H.J. Simon en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J. Bernhagen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2008.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) M.J. Bernhagen.

cb