Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BE9506

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-08-2008
Datum publicatie
04-09-2008
Zaaknummer
06-4829 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening, medeterugvordering en intrekking bijstandsuitkering. Gezamenlijke huishouding. Schending inlichtingenverplichting. Terugvorderingsbesluit is één geheel en moet in zijn geheel worden vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4829 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 6 juli 2006, 05/1122 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tytsjerksteradiel (hierna: College)

Datum uitspraak: 19 augustus 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.C. Mollema, advocaat te Grou, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2008. Voor appellant is verschenen mr. Mollema. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant ontving van september 2000 tot 5 juni 2001 bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande. Naar aanleiding van het vermoeden dat appellant zou samenwonen met [naam partner] (verder: [partner ]) heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant en [partner ] verleende bijstand. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 4 augustus 2004.

1.3. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 23 augustus 2004 de bijstand van [partner ] over de periode van 1 september 2000 tot 5 juni 2001 te herzien en met ingang van 5 juni 2001 in te trekken. Bij besluit van 14 september 2004 heeft het College de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 september 2000 tot 1 augustus 2004 ten bedrage van € 52.279,92 van [partner ] teruggevorderd. Voorts heeft het College bij dat besluit de ten behoeve van [partner ] gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 september 2000 tot 1 juli 2004 met toepassing van artikel 59, tweede lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) tot een bedrag van € 51.838,10 mede van appellant teruggevorderd. De besluitvorming berust op de overweging dat appellant in die periode een gezamenlijke huishouding voerde met [partner ], zonder dat [partner ] daarvan mededeling heeft gedaan aan het College.

1.4. Bij besluit van 13 december 2004 heeft het College de bijstand van appellant over de periode van 6 september 2000 tot 5 juni 2001 ingetrokken.

1.5. Bij besluit van 27 mei 2005 heeft het College de door appellant gemaakte bezwaren tegen de besluiten van 14 september 2004 en 13 december 2004 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak - met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht - het beroep van appellant tegen het besluit van 27 mei 2005 gegrond verklaard, het besluit voor zover dit ziet op de intrekking van de bijstand wegens een onjuiste wettelijke grondslag vernietigd, en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit in stand blijven. Ten aanzien van de hoofdelijke aansprakelijkstelling voor de terugvordering van de betaalde bijstand over de periode van 11 april 2003 tot 1 juli 2004 heeft de rechtbank voorts geoordeeld dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 59, derde lid, van de WWB, zodat het besluit van 27 mei 2005 ook in zoverre is vernietigd.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarin is bepaald dat de rechtsgevolgen van het ten aanzien van het jegens hem genomen intrekkingsbesluit in stand blijven en voor zover hij tot medio december 2002 hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor de terugbetaling van de aan [partner ] verleende bijstand.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat, zoals desgevraagd door de gemachtigde van appellant ter zitting is bevestigd, appellant niet langer betwist dat hij ingaande 1 december 2002 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [partner ], zodat de periode vanaf 1 december 2002 niet langer in geschil is. In het onderhavige geding dient de Raad derhalve ter zake van de medeterugvordering te beoordelen of de rechtbank terecht tot de conclusie is gekomen dat ten aanzien van appellant over de periode van 1 september 2000 tot 1 december 2002 is voldaan aan de voorwaarden van artikel 59, tweede lid, van de WWB.

4.2. Artikel 59, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover van belang, dat indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in artikel 17 niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.

4.3. Voor de vaststelling dat, in het onderhavige geval, appellant de persoon als bedoeld in artikel 59, tweede lid van de WWB is, is vereist dat hij in de in geding zijnde periode met [partner ] een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Algemene bijstandswet (Abw) heeft gevoerd.

4.4. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Abw wordt als gehuwd mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Op grond van het derde lid van dat artikel is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.5. De Raad is van oordeel dat genoegzaam is komen vast te staan dat ten tijde hier van belang zowel aan het criterium van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning als aan het zorgcriterium is voldaan en dat appellant dus een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [partner ]. De Raad hecht hierbij betekenis aan de door appellant ten overstaan van de sociale recherche op 2 augustus 2004 afgelegde verklaring, waarin hij aangeeft dat hij [partner ] sinds 2000 kent, dat zij 3 á 4 maanden bij hem in het Fort heeft gewoond en dat hij nadien bij haar aan de [Adres A] is gaan wonen. De verklaring van appellant wordt naar het oordeel van de Raad bevestigd door de verklaringen van de facilitair manager, [H.v.d. W], van 20 juli 2004 en [S.d. V], van 21 juli 2004, beheerder van het Fort in [Plaatsnaam], dat in 2000 tot 1 september een kamer aan appellant is verhuurd. Ook uit de verklaringen van de dochter van [partner ], [naam dochter], en haar ex-vriend, [naam ex-vriend], en de verklaring van [naam moeder], moeder van [partner ], alle van 2 augustus 2004, blijkt dat appellant en [partner ] in de periode van belang samenwoonden. De verklaringen van [naam werkgever], werkgever van appellant, van 21 juli 2004 en [naam directeur], directeur van de camping het [n[plaatsnaam], van 3 augustus 2004 bevestigen eveneens het gezamenlijk hoofdverblijf van appellant en [partner ] in de [adres A] dan wel hun gezamenlijk verblijf op de camping [plaatsnaam] in de periode in geding. In dit verband acht de Raad voorts relevant dat alle afgelegde verklaringen zowel betrekking hebben op de periode vóór als na 1 december 2002, zonder dat een verschil in de feitelijke situatie voor en na deze datum in de verklaringen is te onderscheiden.

4.6. De situatie dat appellant met ingang van 5 juni 2001 als vrachtwagenchauffeur werkzaam was en veelvuldig in de cabine van de vrachtwagen sliep doet aan het voorgaande niet af.

4.7. Dat voldaan is aan het zorgcriterium leidt de Raad evenals de rechtbank af uit de verklaringen van appellant en [partner ] inhoudende dat [partner ] voor hem kookte en de was deed, dat appellant meebetaalde aan de boodschappen, dat hij zakgeld betaalde aan de dochter van [partner ], zich bemoeide met haar opvoeding en dat appellant en [partner ] samen meubels kochten en samen met vakantie gingen.

4.8. Gelet op het overwogene onder 4.1 tot en met 4.7 staat vast dat appellant en [partner ] ten tijde in geding een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Verlening van gezinsbijstand is niettemin achterwege gebleven omdat [partner ] de op haar rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen. Daarmee is gegeven dat ten aanzien van appellant is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB. Het College was derhalve bevoegd de kosten van de ten onrechte aan [partner ] verleende bijstand over de periode 1 september 2000 tot 1 december 2002 - en van 1 december 2002 tot 11 april 2003 - mede van appellant terug te vorderen.

4.9. Het voorgaande brengt naar het oordeel van de Raad voorts mee dat appellant in de periode 6 september 2000 tot 5 juni 2001 niet kan worden beschouwd als zelfstandig subject van bijstand, zodat hij geen recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Appellant heeft geen melding gemaakt van het voeren van een gezamenlijke huishouding met [partner ]. Daarmee heeft hij zijn inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg daarvan is appellant in de voornoemde periode ten onrechte bijstand verleend, zodat het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB tevens bevoegd was tot intrekking van de bijstand van appellant over deze periode. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College bij afweging van de hierbij rechtstreeks betrokken belangen in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot intrekking van de bijstand.

5. Niettemin komt de aangevallen uitspraak, voor zover deze betrekking heeft op de medeterugvordering, voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank heeft immers het besluit van 27 mei 2005, voor zover dat betrekking heeft op de medeterugvordering, gedeeltelijk vernietigd. Dit is niet juist aangezien een terugvorderingsbesluit als één geheel moet worden beschouwd, nu dit uitmondt in één - daarin te vermelden - bedrag aan teruggevorderde bijstand. Dit klemt te meer nu het terugvorderingsbesluit een executoriale titel oplevert. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het besluit van 27 mei 2005, voor zover dat betrekking heeft op de medeterugvordering, vernietigen en het College opdragen een nieuw besluit ter zake van de medeterugvordering te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is bepaald.

6. De Raad ziet ten slotte aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de medeterugvordering;

Vernietigt het besluit van 27 mei 2005, voor zover dat betrekking heeft op de medeterugvordering;

Bepaalt dat het College ter zake van de medeterugvordering een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,-- te betalen door de gemeente Tytsjerksteradiel;

Bepaalt dat de gemeente Tytsjerksteradiel aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 105,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2008.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) A. Badermann.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

IJ