Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BE9503

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-08-2008
Datum publicatie
02-09-2008
Zaaknummer
06-921 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering toekenning WAO- en AAW-uitkering. Medische onderzoek i.v.m. psychiatrische problematiek voldoende zorgvuldig?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/921 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 december 2005, 04/3641 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[Betrokkene] (hierna: betrokkene).

Datum uitspraak: 21 augustus 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. M. Huisman, advocaat te Amersfoort, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.F. Sitvast. Namens betrokkene is verschenen

mr. Huisman.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene, geboren op [geboortedatum] en laatstelijk werkzaam als metaalbewerker, heeft zich op 7 juni 1993 ziek gemeld wegens buikklachten. De verzekeringsarts M.P.S. Jansen heeft op 31 augustus 1993 - in het kader van de Ziektewet - gerapporteerd dat bij betrokkene sprake is van een spastische colon en dat zijn herstel op korte termijn valt te verwachten. Betrokkene is vervolgens begin 1994 zonder toestemming van appellant naar Marokko vertrokken en heeft appellant verzocht hem in aanmerking te brengen voor een uitkering in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

1.2. Op verzoek van appellant heeft de Caisse Nationale de Sécurité Sociale (CNSS) betrokkene in 1996 en 1998 onderzocht en aan appellant gerapporteerd. In 1996 heeft het CNSS als diagnose gesteld; een fobische neurose, een anxiodepressief syndroom en gastritis. In 1998 is als diagnose gesteld colopathie en een angstneurose. Appellant heeft in deze rapportages van de CNSS aanleiding gezien betrokkene op te roepen voor nader medisch onderzoek in Nederland.

1.3. De verzekeringsarts L.J. Schaap heeft op 25 september 2003 de internist

C.B.M. Thijsse-Bruin en de psychiater K.R.M. Wettstein verzocht zich een oordeel te vormen over de klachten en beperkingen van betrokkene over de afgelopen 10 jaar. Thijsse-Bruin concludeert in haar rapportage van 12 december 2003 dat bij betrokkene sprake is van chronisch obstructief longlijden bij het overmatig roken van sigaretten en van klachten passend bij een spastisch colon. Daarbij maakt zij melding van het feit dat betrokkene een depressieve indruk maakt. Wettstein heeft betrokkene op 24 oktober 2003 onderzocht en een psychiatrische expertise opgemaakt inhoudende dat bij betrokkene geen sprake is van een manifeste psychiatrische problematiek. Er is geen sprake van psychotische symptomatologie en geen sprake van stemmingsproblemen of van angst. Wettstein acht het niet goed mogelijk een indruk te krijgen van de toestand van betrokkene in de afgelopen 10 jaar.

1.4. Schaap komt op basis van eigen onderzoek, de gegevens van de CNSS en de expertises van Thijsse-Bruin en van Wettstein in haar rapportage van 21 oktober 2003, zoals aangevuld op 13 januari 2004, tot de conclusie dat betrokkene belastbaar is voor arbeid indien rekening wordt gehouden met beperkingen ten aanzien van leidinggevend werk, conflicthantering en lawaai. Schaap ziet geen indicatie dat er per einde wachttijd op 6 juni 1994 - anders dan nu - sprake was van een manifeste psychiatrische aandoening. Schaap heeft de beperkingen van betrokkene opgenomen in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 13 januari 2004.

1.5. De arbeidsdeskundige J. Zoetelief heeft in zijn rapport van 14 januari 2004 een aantal functies geselecteerd die betrokkene met zijn beperkingen moet worden geacht te kunnen vervullen en aan de hand daarvan berekend dat er bij betrokkene geen sprake is van een verlies aan verdienvermogen.

1.6. Bij besluit van 11 februari 2004 heeft appellant de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene per 6 juni 1994 vastgesteld op minder dan 15% en op deze grond geweigerd betrokkene in aanmerking te brengen voor een uitkering in het kader van de WAO en de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet. Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.7. Naar aanleiding van dit bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts W. Ruitenberg na bestudering van het dossier in zijn rapport van 6 juli 2004 geconcludeerd dat, uitgaande van de aanwezigheid van “irritabel bowel syndrom”, microscopische haematurie en afwijkend gedrag zonder manifeste psychiatrische aandoening, de verzekeringsgeneeskundige beoordeling zorgvuldig tot stand is gekomen en dat bij het vaststellen van de beperkingen in voldoende mate rekening is gehouden met de rechtstreeks en objectief vaststelbare gevolgen van het ziektebeeld.

1.8. Bij besluit van 14 juli 2004 heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 11 februari 2004 ongegrond verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten, het beroep van betrokkene tegen het besluit van 14 juli 2004 gegrond verklaard, dit besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van betrokkene. De rechtbank heeft geoordeeld dat de gegevens uit de in Nederland uitgevoerde onderzoeken onvoldoende zijn om te kunnen concluderen dat betrokkene per 6 juni 1994 belastbaar was overeenkomstig de op 13 januari 2003 opgestelde FML. De rechtbank heeft daarbij onder meer in aanmerking genomen dat Wettstein heeft aangegeven dat het voor hem onmogelijk is om een indruk te krijgen van de toestand van betrokkene in de afgelopen 10 jaar.

2.2. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd en zich daarbij op het standpunt gesteld dat het medisch onderzoek - mede vanwege twee externe expertises - zorgvuldig is geweest en de belastbaarheid van betrokkene juist is vastgesteld

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1. De Raad ziet anders dan de rechtbank geen reden te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van appellant en de juistheid van de conclusies ervan.

3.2. Tussen partijen is met name in geschil de conclusie die verbonden moet worden aan de rapportage van psychiater Wettstein inhoudende dat ten tijde van zijn onderzoek bij betrokkene geen sprake is van een manifeste psychiatrische problematiek en dat hij geen oordeel kan geven over de volledige afgelopen 10 jaar. Betrokkene heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat per einde wachttijd bij hem sprake was van zware psychische problemen met vergaande beperkingen, hegeen hij bevestigt ziet in de CNSS beoordelingen uit 1996 en 1998.

3.3. De Raad ziet in de gedingstukken geen steun voor deze stelling van betrokkene en neemt daarbij allereerst in aanmerking dat in het ziektewetjaar door betrokkene uitsluitend melding is gemaakt van buikklachten, waarvoor door hem een internist is geconsulteerd. De rapportages van het CNSS geven een beeld van de toestand van betrokkene op het moment dat deze zijn opgemaakt. Daar waar in deze rapportages melding wordt gemaakt van psychische aandoeningen en daaruit voortvloeiende beperkingen, blijkt dat de zwaarte van de psychische klachten in de loop der tijd wisselt, waarbij reactieve elementen - zoals de ziekte van de vrouw van betrokkene - een rol spelen. Ten tijde van het onderzoek door Wettstein was in ieder geval geen sprake is van manifeste psychiatrische problematiek. De Raad ziet geen medische gegevens die de stelling van betrokkene ondersteunen dat per einde wachttijd sprake was van andere dan de door betrokkene gemelde lichamelijke klachten. De Raad stelt overigens vast dat in de FML op basis van uit de persoonlijkheid van betrokkene voortvloeiend afwijkend gedrag zonder manifeste psychiatrische problematiek, beperkingen zijn opgenomen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren.

3.4. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellant slaagt, dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en dat het beroep van betrokkene tegen het besluit van 14 juli 2004 ongegrond dient te worden verklaard.

4. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en H.J. Simon en

H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J. Bernhagen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2008.

(get.) M.M. van der Kade

(get.) M.J. Bernhagen

CB