Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BE9389

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-08-2008
Datum publicatie
28-08-2008
Zaaknummer
06-398 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na intrekking hoger beroep door het Uwv wordt het ten onrechte doorbetaald loon teruggevorderd en verzocht tot schadevergoeding. Is de loonschade een gevolg van het onrechtmatige primaire besluit?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/398 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in de artikelen 8:73a en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:

[Naam appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 december 2005, 05/2117 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 augustus 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.C.F.M. Mollee, werkzaam bij Achmea Vitale B.V. te De Meern, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft eveneens hoger beroep ingesteld, maar heeft dat hoger beroep nadien ingetrokken.

Bij brief van 7 november 2006 heeft mr. Mollee namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de schade, die appellante lijdt, en in de proceskosten.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2008, waar namens appellante is verschenen mr. Mollee. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. L. Bosma.

Na heropening van het onderzoek hebben partijen toestemming gegeven om een nadere zitting achterwege te laten.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 12 november 2004 heeft het Uwv appellante de verplichting opgelegd haar werknemer H., aansluitend aan de periode van ziekte van 52 weken, over een tijdvak van vier maanden, zijnde de periode van 13 december 2004 tot en met 12 april 2005, het loon op grond van artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek (BW) door te betalen (hierna ook te noemen: loonsanctie) omdat appellante ten aanzien van de werknemer onvoldoende re-integratieactiviteiten had verricht. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 13 april 2005 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 13 april 2005 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft tevens beslissingen gegeven inzake vergoeding van proceskosten en griffierecht.

3. Na kennisneming van de intrekking van het hoger beroep door het Uwv heeft appellante het door haar ingestelde hoger beroep eveneens ingetrokken met het verzoek om het Uwv te veroordelen in de proceskosten en tot vergoeding van de schade. Bij brief van 7 december 2006 heeft de gemachtigde van appellante het verzoek tot schadevergoeding onderbouwd en het ten onrechte doorbetaalde loon over de periode van 13 december 2004 tot en met 12 april 2005, inclusief vakantietoeslag, winstdeling, bijdragen ziektekostenverzekering werkgever en werknemer, pensioenpremie werkgever, de werkgeverslasten SV en premie AOP, in totaal € 34.699,88, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, gevorderd.

4. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat de loonbetaling in principe een zaak is tussen de werkgever en de werknemer en dat de werkgever in principe het onverschuldigd betaalde loon van de werknemer moet terugvorderen. In aanmerking genomen dat de werkgever, vanuit een oogpunt van redelijkheid en billijkheid, veelal geen loon mag/kan terugvorderen van de werknemer, wanneer deze het loon te goeder trouw heeft ontvangen en - zonder een vervangende uitkering te hebben ontvangen - het loon heeft moeten gebruiken om in zijn levensonderhoud te voorzien, heeft het Uwv echter besloten het standpunt uit overwegingen van coulance te versoepelen, en maximaal 70% van de loonkosten te vergoeden.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.1.1. Naar de Raad reeds vele malen heeft uitgesproken, dient bij het beantwoorden van de vraag of en in welke omvang de schade die een partij lijdt voor vergoeding in aanmerking komt, zoveel mogelijk aansluiting te worden gezocht bij het burgerrechtelijk schadevergoedingsrecht. Het is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie bijvoorbeeld het arrest van 1 juli 1993, LJN: ZC1036) dat, indien een overheidslichaam een besluit neemt en handhaaft dat naderhand wordt vernietigd wegens strijd met een wettelijke bepaling, het jegens de door die beschikking getroffene een onrechtmatige daad begaat. Daarmee is de schuld van het overheidslichaam in beginsel gegeven. Toegespitst op het onderhavige geval betekent dit dat het Uwv met het onrechtmatige besluit van 12 november 2004 een onrechtmatige daad heeft begaan jegens appellante. Die onrechtmatige daad dient het Uwv te worden toegerekend. Daarmee is de schadevergoedingsplicht van het Uwv in beginsel gegeven.

5.2. De vraag is vervolgens of alle geclaimde loonschade een gevolg is van het onrechtmatige primaire besluit.

5..2.1. Wil een verzoek om schadevergoeding kunnen worden gehonoreerd, dan zal genoegzaam aannemelijk moeten zijn dat de gestelde schade in zodanig verband staat met het onrechtmatige besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kan worden toegerekend.

5.2.2. Artikel 71a, negende lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering bepaalt, onder meer, dat het Uwv een tijdvak vaststelt gedurende welke de werknemer jegens de werkgever recht op loon heeft op grond van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, indien bij de behandeling van de aanvraag bedoeld in artikel 34, derde lid, en de beoordeling als bedoeld in artikel 34a blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen op grond van het eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid dan wel de krachtens het zevende lid gesteld regels niet of niet volledig nakomt of onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.

5.2.3. Ingevolge artikel 7:629, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek zoals dat artikel luidde ten tijde in geding behoudt de werknemer, voor zover het loon niet meer bedraagt dan het maximum dagloon, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, voor een tijdvak van 52 weken recht op 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon, maar ten minste op het voor hem geldende wettelijke minimumloon, indien hij de bedongen arbeid niet heeft verricht omdat hij in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte, zwangerschap of bevalling daartoe verhinderd was.

5.2.4. Niet in geschil is dat appellante naar aanleiding van het besluit van 12 november 2004, aansluitend aan de periode van ziekte van 52 weken, aan werknemer H vier maanden het volledige loon heeft doorbetaald. De Raad is van oordeel dat gelet op de in 5.2.2 en 5.2.3 weergegeven wettelijke bepalingen, in onderlinge samenhang gelezen, de aan appellante opgelegde loondoorbetalingsverplichting van vier maanden niet meer inhield dan de verplichting voor appellante gedurende die periode aan de werknemer 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon te betalen, doch niet minder dan het voor hem geldende wettelijke minimumloon. Dit heeft tot gevolg dat, anders dan appellante meent, in beginsel niet 100% maar 70% van het doorbetaalde loon als gevolg van het onrechtmatige loonsanctiebesluit aan het Uwv kan worden toegerekend, zij het met inachtneming van voormeld minimum. Hetgeen de gemachtigde van appellante ter zitting van de Raad heeft aangevoerd onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van

7 november 1997, LJN: AN5640, inzake het causaal verband tussen de onrechtmatige daad, bestaande uit het opleggen van te hoge belastingaanslagen, en geleden renteschade, heeft de Raad niet tot een ander oordeel geleid nu het in die zaak gaat om een geheel andere situatie dan in de onderhavige zaak aan de orde is.

5.2.5. Ten aanzien van appellantes grief dat het Uwv willekeurig handelt omdat aan enige andere werkgevers in een vergelijkbare situatie wel 100% van de loonschade is vergoed, merkt de Raad op de betreffende besluiten zijn genomen op basis van een interne Uwv-richtlijn van 28 april 2006. Zoals de gemachtige van het Uwv ter zitting van de Raad heeft verklaard was deze richtlijn niet geheel duidelijk geformuleerd en hebben enige Uwv-kantoren in een aantal gevallen in strijd met de bedoeling van de richtlijn 100% van de geclaimde loonschade vergoed. De tekst van de richtlijn is in oktober 2006 aangepast. Sedertdien is in beginsel niet meer dan 70% van het over de periode van de loonsanctie doorbetaalde loon vergoed.

De Raad is van oordeel dat het Uwv na de aanpassing van de tekst van de richtlijn niet was gehouden een kennelijk niet bedoelde handelwijze te continueren. Het Uwv heeft met het bij brief van 20 maart 2007 ingenomen standpunt dat 70% van het doorbetaalde loon aan appellante wordt vergoed dan ook niet willekeurig gehandeld.

5.2.6. Hetgeen in 5.2.4 en 5.2.5 is overwogen leidt tot de conclusie dat het Uwv aan appellante 70% van het over de periode van 13 december 2004 tot en met 12 april 2005 doorbetaalde loon, althans het wettelijk minimumloon, dient te vergoeden. Voorts dient de over dit loon in die periode opgebouwde vakantietoeslag te worden vergoed. De door appellante gestelde schade, bestaande uit de aan de loondoorbetaling verbonden werkgeverslasten, staat naar het oordeel van de Raad in een zodanig nauw verband met deze loondoorbetaling dat ook deze posten deel uitmaken van de geleden schade. Het standpunt van het Uwv dat betaalde premies alleen worden vergoed voor zover die te verhalen zijn op het Arbeidsongeschiktheidsfonds of het Algemeen Werkloosheidsfonds dient dan ook te worden verworpen. Over het aldus vastgestelde schadebedrag is wettelijke rente verschuldigd. In aanmerking genomen dat het aan appellante betaalde bedrag aan WAO-uitkering ad € 10.448,60 op één lijn gesteld moet worden met schadevergoeding dient over dit bedrag tevens aan appellante wettelijke rente te worden betaald. Wat betreft de wijze waarop het Uwv de wettelijke rente dient te berekenen wijst de Raad naar zijn vaste jurisprudentie.

6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.127,- voor verleende rechtsbijstand.

7. Ten slotte merkt de Raad nog op dat uit het bepaalde in artikel 8:41, vierde lid, van de Awb en artikel 22, vijfde lid, van de Beroepswet volgt dat appellante zich met een verzoek om vergoeding van het betaalde griffierecht rechtstreeks tot het Uwv dient te wenden.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekering tot vergoeding van de schade als hiervoor aangegeven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.127,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

JL