Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BE9381

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-08-2008
Datum publicatie
28-08-2008
Zaaknummer
06-7110 WAO + 07-2361 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering WAO-uitkering. Nader besluit. Voldoende aannemelijk dat betrokkene werkte als programmeur van software. Arbeid van economische betekenis met een aantoonbare loonwaarde. Geen twijfel aan de juistheid van de beperkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/7110 WAO

07/2361 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 31 oktober 2006, 05/3992 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 augustus 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.P.H.C. de Jong, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en heeft bij brief van 19 april 2007 een nieuwe beslissing op bezwaar van 16 april 2007 ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2008. Namens appellant is verschenen mr. De Jong. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Tijn.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellant is in verband met darmklachten (ziekte van Crohn) met ingang van 3 mei 1993 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Naar aanleiding van een melding dat appellant werkzaam is bij een automatiseringsbedrijf, is onderzoek gedaan naar het vermoedelijk plegen van fraude door appellant. Uit dat onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een Rapport Uitkeringsfraude van 22 maart 2004, is het Uwv gebleken dat appellant gedurende de periode van 1 januari 1999 tot en met 31 oktober 2003 gemiddeld 28 uren per week en vanaf 1 november 2003 gemiddeld 48 uren per week werkzaamheden heeft verricht als programmeur van software ten behoeve van [naam bedrijf 1] (later: [naam bedrijf 2]). Het Uwv heeft aan de activiteiten van appellant binnen het bedrijf vanaf 1 januari 2003 een loonwaarde toegekend. Bij gebreke van verdere gegevens alsook van informatie van appellant, heeft het Uwv voor de hoogte van de inkomsten aansluiting gezocht bij de zogenoemde mediane loonwaarde van de functies die zijn geduid in het kader van de herziening van de WAO-uitkering. Bij twee besluiten van 9 november 2004 heeft het Uwv beslist dat de WAO-uitkering van appellant in verband met inkomsten uit arbeid met toepassing van artikel 44 van de WAO wordt uitbetaald met ingang van 1 januari 2003 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% respectievelijk met ingang van 1 november 2003 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

1.3. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van eveneens 9 november 2004 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 21 november 2004 nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

1.4. Bij besluit van 9 december 2004 heeft het Uwv de aan appellant over de periode van 1 januari 2003 tot 1 december 2004 onverschuldigd betaalde uitkering tot een bedrag van € 28.701,53 van hem teruggevorderd. Bij besluit van 3 februari 2005 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat de over de periode van 1 januari 2003 tot en met 30 november 2004 onverschuldigd betaalde uitkering van hem wordt teruggevorderd tot een bedrag van € 25.494,49.

1.5. Bij besluit van 14 oktober 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 9 november 2004 en tegen het besluit van 9 december 2004, zoals gecorrigeerd bij het besluit van 3 februari 2005, ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en beslissingen gegeven omtrent de vergoeding aan appellant van griffierecht en proceskosten.

De rechtbank heeft met betrekking tot de toepassing van artikel 44 van de WAO met ingang van 1 januari 2003 respectievelijk met ingang van 1 november 2003 overwogen dat gelet op de beschikbare gegevens voldoende aannemelijk is geworden dat appellant op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht. De rechtbank acht het onaannemelijk dat appellant voor zijn activiteiten geen beloning zou hebben ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat de arbitraire vaststelling van appellants inkomsten op de mediane loonwaarde van de in het kader van de herziening per 21 november 2004 geduide functies niet voldoet aan de eis die in de rechtspraak wordt gesteld dat de vaststelling van appellants inkomsten de werkelijkheid zo dicht mogelijk moet benaderen. Naar het oordeel van de rechtbank berust het bestreden besluit, voor zover het betreft de toepassing van artikel 44 van de WAO, niet op een voldoende zorgvuldig onderzoek.

De rechtbank heeft met betrekking tot de herziening van de WAO-uitkering met ingang van 21 november 2004 geconcludeerd dat deze berust op een voldoende medische grondslag. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank geconstateerd dat niet alle signaleringen in de resultaten functiebeoordeling door het Uwv zijn voorzien van een overeenkomstig de rechtspraak vereiste toelichting. Voorts heeft de rechtbank er op gewezen dat voor enkele functies in Sbc-code 111180 een VBO-metaaltechniek niveau noodzakelijk is en het niet duidelijk is geworden of kan worden aangenomen dat appellant dit niveau heeft. Naar het oordeel van de rechtbank ontbeert het bestreden besluit, voor zover het betreft de herziening van de WAO-uitkering, een deugdelijke arbeidskundige motivering.

De rechtbank heeft met betrekking tot de terugvordering geconcludeerd dat daarom, nu het bestreden besluit zowel voor zover het betreft de toepassing van artikel 44 van de WAO als het betreft de herziening van appellants WAO-uitkering niet in stand kan blijven, de grondslag is komen te ontvallen.

3. Appellant heeft in hoger beroep volhard in zijn bij de rechtbank aangevoerde stellingen. Hij heeft weliswaar vanaf 1999 werkzaamheden verricht, doch dit werk had meer een hobbymatig karaker en had nauwelijks enige economische betekenis; hij ontving nimmer salaris. Verder meent hij dat hij vanwege zijn darmklachten niet in staat is tot reguliere arbeid en dat de voorhanden medische gegevens zijn standpunt onderbouwen. In dat verband heeft hij er op gewezen dat hij per 1 oktober 2006 een dienstverband is aangegaan, doch dat hij de arbeid na drie weken heeft moeten staken vanwege zijn darmklachten.

4. Het Uwv heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak het in rubriek I genoemde besluit van 16 april 2007 genomen. Bij dat besluit is beslist dat de WAO-uitkering van appellant in verband met inkomsten uit arbeid met toepassing van artikel 44 van de WAO wordt uitbetaald met ingang van 1 januari 2003 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80% en met ingang van 1 november 2003 onveranderd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. De herziening van de WAO-uitkering per 21 november 2004 blijft gehandhaafd op de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45%. Voorts is beslist dat de over de periode van 1 januari 2003 tot en met 30 november 2004 onverschuldigd betaalde uitkering van appellant wordt teruggevorderd tot een bedrag van € 20.921,77.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. Aangezien het hiervoor weergegeven besluit van 16 april 2007, dat het Uwv ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft genomen, aan het beroep niet tegemoet komt, wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit beroep geacht mede te zijn gericht tegen dat besluit.

5.3.1. Met betrekking tot het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak oordeelt de Raad als volgt.

5.3.2. De Raad stelt allereerst vast dat gelet op de inhoud van het hoger beroep de grieven van appellant zich richten op het oordeel van de rechtbank dat voldoende aannemelijk is geworden dat hij met ingang van 1 januari 2003 respectievelijk met ingang van 1 november 2003 op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht met aantoonbare loonwaarde en dat de herziening van zijn WAO-uitkering met ingang van 21 november 2004 op een voldoende medische grondslag berust.

5.3.3. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat op grond van de beschikbare gegevens, daarbij met name gelet op de afgelegde getuigenverklaringen en het proces-verbaal van verhoor van appellant op 15 maart 2004, voldoende aannemelijk is geworden dat appellant ten tijde hier van belang werkzaamheden heeft verricht als programmeur van software. De Raad onderschrijft voorts het oordeel van de rechtbank dat gelet op aard en duur van de werkzaamheden sprake is van arbeid van economische betekenis met een aantoonbare loonwaarde. De Raad schaart zich achter de overwegingen die tot die oordelen van de rechtbank hebben geleid. Naar aanleiding van het hoger beroep voegt de Raad daaraan nog het volgende toe. Zoals uit het voorgaande volgt, wordt appellant gehouden aan zijn op 15 maart 2004 afgelegde verklaring, onder meer inhoudende dat hij bedoelde werkzaamheden vanaf 1999 voor gemiddeld 28 uren per week en vanaf 1 november 2003 voor gemiddeld 48 uren per week heeft verricht. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden die er toe zouden moeten leiden dat wordt afgeweken van het in de vaste rechtspraak van de Raad neergelegde uitgangspunt dat in beginsel van de juistheid van de tijdens een opsporingsonderzoek afgelegde verklaringen wordt uitgegaan. Verder passeert de Raad de door appellant aangevoerde grieven, die er op neer komen dat hij niet gekwalificeerd is voor het verrichten van de werkzaamheden van een programmeur, dat er geen sprake was van werkzaamheden zoals die in het bedrijfsleven voorkomen en dat er gelet op zijn klachten sprake was van ‘overleven’. Bij de toepassing van artikel 44 van de WAO is niet aan de orde de vraag of de betrokkene werkzaamheden verricht waartoe hij met zijn krachten en bekwaamheden in staat is, maar de vraag of de inkomsten uit arbeid, waarvan niet vaststaat of deze een reële afspiegeling van zijn verdiencapaciteit vormen, leiden tot het niet uitbetalen of korten van de WAO-uitkering.

5.3.4. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv bij appellant aangenomen beperkingen. Het door appellant bij de rechtbank ingebracht schrijven van de behandelend specialist van 9 augustus 2006 biedt enige informatie omtrent de ziekte van Crohn, waaraan appellant lijdt, doch evenals de rechtbank leest de Raad in dat schrijven geen nieuwe medische feiten ten aanzien van de gezondheidstoestand van appellant ten tijde hier in geding. Hetgeen appellant overigens in hoger beroep heeft aangevoerd omtrent zijn gezondheidstoestand ziet niet op de datum in geding. Met een eventuele verslechtering van de gezondheidstoestand na deze datum kan naar het oordeel van de Raad in dit geding geen rekening worden gehouden.

5.3.5. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

5.4.1. Met betrekking tot het besluit van 16 april 2007 overweegt de Raad als volgt.

5.4.2. In het aan dat besluit ten grondslag liggende rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 23 maart 2007 is met betrekking tot de toepassing van artikel 44 van de WAO uiteengezet dat appellant verzuimd heeft om concrete, verifieerbare gegevens te verstrekken betreffende zijn inkomsten met ingang van 1 januari 2003. De bezwaararbeidsdeskundige is daarom uitgegaan van inkomsten ter hoogte van het wettelijk minimumloon, nu appellant dit salaris minimaal met zijn werkzaamheden heeft moeten kunnen verdienen.

5.4.3. Vaststaat dat appellant het Uwv geen enkele opgave heeft gedaan van zijn werkzaamheden. Met de rechtbank acht de Raad het onaannemelijk dat appellant gelet op de aard van zijn activiteiten geen beloning zou hebben ontvangen voor zijn arbeid. Uit het dossier kan in elk geval worden opgemaakt dat [naam bedrijf 2] hem een lease-auto ter beschikking heeft gesteld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is een bestuursorgaan in een geval als het onderhavige, waarin de verzekerde heeft verzuimd om concrete, verifieerbare gegevens betreffende zijn inkomsten te verstrekken, bevoegd om die inkomsten schattenderwijs vast te stellen. De Raad ziet onvoldoende grond om de schatting door het Uwv, waarbij is uitgegaan van de hoogte van het wettelijk minimumloon, onzorgvuldig en onjuist te achten. In aanmerking genomen de betekenis die de door appellant verrichte werkzaamheden voor [naam bedrijf 2] had alsmede de omvang ervan, had appellant voor zijn werkzaamheden tenminste het wettelijk minimumloon kunnen bedingen en ontvangen. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat de bij het nader besluit genomen beslissing tot toepassing van artikel 44 van de WAO met ingang van 1 januari 2003 respectievelijk met ingang van 1 november 2003 de toetsing in rechte kan doorstaan.

5.4.4. In het evenvermeld rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 23 maart 2007 is met betrekking tot de herziening van de WAO-uitkering met ingang van 21 november 2004 uiteengezet dat en waarom drie van de eerder voor appellant geselecteerde functies in medisch en arbeidskundig opzicht voor hem geschikt moeten worden geacht. Naar het oordeel van de Raad is met dat rapport, waarin de bij de functies geplaatste signaleringen uitgebreid in beeld zijn gebracht en zijn voorzien van een toelichting, de geschiktheid van de functies op alle relevante aspecten voldoende gemotiveerd, zodat de onderhavige schatting thans een als toereikend aan te merken niveau van transparantie, verifieerbaarheid en toetsbaarheid heeft. De Raad volgt voorts de in evenvermelde rapportage gegeven toelichting dat appellant voldoet aan de voor deze functies gevraagde opleidingseisen. De Raad komt tot de conclusie dat de herziening van de WAO-uitkering van appellant met ingang van 21 november 2004 berust op een voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

5.4.5. Uit 5.4.3 en 5.4.4 volgt dat het Uwv aan appellant over de periode van 1 januari 2003 tot en met 30 november 2004 gedeeltelijk onverschuldigd uitkering heeft betaald. Op grond van artikel 57 van de WAO is het Uwv gehouden onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen, tenzij sprake is van dringende redenen als bedoeld in het vierde lid van dat artikel. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, is de Raad niet gebleken van omstandigheden die een dringende reden opleveren in vorenbedoelde zin.

5.4.6. Het beroep tegen het besluit van 16 april 2007 dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 16 april 2007 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en H.G. Rottier en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2008.

(get.) H. Bolt.

(get.) R.L. Rijnen.

RB