Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BE9377

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-08-2008
Datum publicatie
28-08-2008
Zaaknummer
05-7423 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is alle geclaimde loonschade een gevolg van het onrechtmatige primaire besluit? Loonsanctiebesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/7423 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 18 november 2005, 04/2546 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 augustus 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.C.F.M. Mollee, werkzaam bij Commit B.V., gevestigd te De Meern, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2008. Namens appellante is verschenen mr. Mollee. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Bosma.

Na heropening van het onderzoek hebben partijen toestemming gegeven om een nadere zitting achterwege te laten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 19 januari 2004 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen de haar bij besluit van 23 juli 2003 wegens een incompleet re-integratieverslag opgelegde loondoorbetalingsverplichting van vier maanden gegrond verklaard, maar deze sanctie gehandhaafd op de grond dat appellante ten aanzien van de betrokken werknemer onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht. Tegen het besluit van 19 januari 2004 heeft appellante beroep ingesteld bij de rechtbank.

1.2. Hangende het beroep heeft het Uwv bij besluit van 21 december 2004 het bezwaar wederom gegrond verklaard en het besluit van 23 juli 2003 ingetrokken. Vervolgens is namens appellante het beroep ingetrokken en aan de rechtbank verzocht het Uwv met toepassing van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de proceskosten te veroordelen. Tevens heeft appellante de rechtbank verzocht het Uwv met toepassing van artikel 8:73a van de Awb te veroordelen tot vergoeding van door haar geleden schade. Bij brief van 14 januari 2005 heeft de gemachtigde van appellante dit verzoek nader onderbouwd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak toepassing gegeven aan artikel 8:73a van de Awb en het Uwv veroordeeld tot vergoeding van de kosten gemaakt in verband met extra re-integratiewerkzaamheden ter hoogte van € 304,83, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente, en de door appellante gevorderde loonschade afgewezen. Voorts heeft de rechtbank beslissingen gegeven over vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.

3. Hangende het hoger beroep heeft het Uwv een primair zuiver schadebesluit van 24 november 2006 ingezonden, waarbij aan appellante over de periode van 30 april 2003 tot en met 29 augustus 2003 schadevergoeding is toegekend ter hoogte van 70% van het doorbetaalde loon inclusief de werkgeverslasten en de verschuldigde wettelijke rente.

Bij brief van 14 februari 2007 heeft het Uwv een nieuw primair besluit van 13 februari 2007 toegezonden. Bij dit besluit heeft het Uwv onder intrekking van het besluit van 24 november 2006 aan appellante over de periode van 30 april 2003 tot en met 29 augustus 2003 schadevergoeding ter hoogte van € 6.586,91 toegekend.

4.1. Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat onder de aangevallen uitspraak ten onrechte het rechtsmiddel van verzet is vermeld. Appellante heeft voor de zekerheid ook verzet aangetekend tegen de uitspraak. Zij heeft verzocht het Uwv te veroordelen in de door haar in dat kader gemaakte proceskosten.

Appellante heeft voorts aangevoerd dat de rechtbank haar verzoek om vergoeding van loonschade ten onrechte heeft afgewezen. Appellante stelt dat, anders dan de rechtbank in haar uitspraak overweegt, er geen andere (civielrechtelijke) grond voor de loondoorbetaling is geweest dan het onrechtmatige besluit van 23 juli 2003. De loondoorbetaling is dan ook het rechtstreekse gevolg van het onrechtmatige besluit. Appellante acht het op de weg van het Uwv liggen te bewijzen dat zonder het onrechtmatige besluit op haar ook een plicht tot loondoorbetaling na 52 weken ziekte rustte. Appellante claimt in hoger beroep loonschade over vier maanden loondoorbetaling ter hoogte van € 7.573,69 plus de wettelijke rente over dit bedrag tot aan het moment van daadwerkelijke betaling door het Uwv.

4.2. Naar aanleiding van de brief van 14 februari 2007 heeft appellante de gronden van het hoger beroep aangevuld en gesteld dat het Uwv niet 70% maar 100% van het betaalde loon moet vergoeden. Naar de mening van appellante staat ook de resterende 30% in rechtstreeks verband met het onrechtmatige loonsanctiebesluit. Bovendien gaat het Uwv met vergoeding van de resterende 30% willekeurig om, want haar is bekend dat in een aantal gevallen wel 100% van de loonbetaling is vergoed. Voorts vordert appellante € 60,- aan administratiekosten en de daarover verschuldigde wettelijke rente.

5. In reactie hierop heeft het Uwv meegedeeld dat geen aansprakelijkheid voor eventuele loonschade wordt erkend, omdat die schade niet in zodanig verband met het onrechtmatige loonsanctiebesluit staat dat zij aan het Uwv kan worden toegerekend. Het Uwv is echter bereid uit een oogpunt van coulance een deel van de schade te vergoeden. Voor zover de werknemer geen verhaal biedt, vergoedt het Uwv het loon ten hoogste tot 70%. Indien op grond van de CAO of uit sociale overwegingen 100% is doorbetaald, vergoedt het Uwv het meerdere niet, omdat dat deel van de schade niet als gevolg van het onrechtmatige sanctiebesluit kan worden aangemerkt. Andere kosten die het Uwv blijkens de brief van 14 februari 2007 vergoedt zijn de wettelijke rente, incassokosten/procedurekosten die de werkgever maakt ten behoeve van de terugvordering van onverschuldigd betaald loon van de werknemer voor zover die kosten niet op de werknemer verhaald kunnen worden, extra re-integratiekosten en werkgeverspremies over 70% van het loon. Administratiekosten worden niet vergoed.

6.1. De Raad stelt vast dat onder de aangevallen uitspraak de verzetclausule is vermeld. Dit rechtsmiddel is niet juist. De Raad is van oordeel dat de gemachtigde van appellante, hoewel zij twijfelde en voor de zekerheid ook hoger beroep heeft ingesteld, in redelijkheid heeft kunnen aannemen dat zij tegen de uitspraak het rechtsmiddel van verzet diende aan te wenden, met name omdat de rechtbank, naar de gemachtigde van appellante ter zitting van de Raad heeft verklaard, op vragen van de gemachtigde hierover meerdere keren heeft geantwoord dat zij in verzet diende te gaan. Uiteindelijk heeft de rechtbank de fout onderkend en de gemachtigde voor vergoeding van de kosten van het verzetschrift naar de Raad verwezen. De Raad is van oordeel dat gelet op vorenvermelde gang van zaken appellante in aanmerking komt voor vergoeding van de kosten van het verzetschrift ter hoogte van € 161,-.

6.2. Voorts stelt de Raad vast dat het schadebesluit van 13 februari 2007 de onderhavige procedure doorkruist. De Raad is van oordeel dat de bevoegdheid om ten volle op een verzoek om schadevergoeding ex artikel 8:73a van de Awb te beslissen hem niet kan worden ontnomen doordat het Uwv hangende de procedure een zuiver schadebesluit neemt. In dat licht bezien is de Raad van oordeel dat het besluit van 13 februari 2007 dient te worden aangemerkt als een nader standpunt van het Uwv ter zake van de gevorderde schade. De Raad zal dit nadere standpunt bij zijn beoordeling betrekken.

6.3. Ten aanzien van de door appellante gevorderde schadevergoeding overweegt de Raad als volgt.

6.3.1. Naar de Raad reeds vele malen heeft uitgesproken, dient bij het beantwoorden van de vraag of en in welke omvang de schade die een partij lijdt voor vergoeding in aanmerking komt, zoveel mogelijk aansluiting te worden gezocht bij het burgerrechtelijk schadevergoedingsrecht. Het is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie bijvoorbeeld het arrest van 1 juli 1993, LJN: ZC1036) dat, indien een overheidslichaam een besluit neemt en handhaaft dat naderhand wordt vernietigd wegens strijd met een wettelijke bepaling, het jegens de door die beschikking getroffene een onrechtmatige daad begaat. Daarmee is de schuld van het overheidslichaam in beginsel gegeven. In aansluiting hierop heeft de Raad in zijn uitspraak van 24 februari 1998, LJN: AA8776, geoordeeld dat, indien na bezwaar door een bestuursorgaan een primair besluit wordt herroepen, omdat dat primaire besluit onrechtmatig blijkt te zijn, daarmee in beginsel ook de schuld van het bestuursorgaan met betrekking tot dat in bezwaar onrechtmatig gebleken besluit is gegeven.

6.3.2. Niet in geding is dat het Uwv bij besluit van 21 december 2004 geheel aan het bezwaar tegen het besluit van 23 juli 2003 is tegemoetgekomen en de loonsanctie niet langer heeft gehandhaafd. Daarmee is het primaire besluit van 23 juli 2003 in feite herroepen en staat de onrechtmatigheid van het besluit van 23 juli 2003 in rechte vast. Met het onrechtmatige besluit van 23 juli 2003 heeft het Uwv een onrechtmatige daad begaan jegens appellante. Die onrechtmatige daad dient het Uwv te worden toegerekend. Daarmee is de schadevergoedingsplicht van het Uwv in beginsel gegeven.

6.4. De vraag is vervolgens of alle geclaimde loonschade een gevolg is van het onrechtmatige primaire besluit.

6.4.1. Wil een verzoek om schadevergoeding kunnen worden gehonoreerd, dan zal genoegzaam aannemelijk moeten zijn dat de gestelde schade in zodanig verband staat met het onrechtmatige besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kan worden toegerekend.

6.4.2. Artikel 71a, negende lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering bepaalt, onder meer, dat het Uwv een tijdvak vaststelt gedurende welke de werknemer jegens de werkgever recht op loon heeft op grond van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, indien bij de behandeling van de aanvraag bedoeld in artikel 34, derde lid, en de beoordeling als bedoeld in artikel 34a blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen op grond van het eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid dan wel de krachtens het zevende lid gestelde regels niet of niet volledig nakomt of onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.

6.4.3. Ingevolge artikel 7:629, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek zoals dat artikel luidde ten tijde in geding behoudt de werknemer, voor zover het loon niet meer bedraagt dan het maximum dagloon, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, voor een tijdvak van 52 weken recht op 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon, maar ten minste op het voor hem geldende wettelijke minimumloon, indien hij de bedongen arbeid niet heeft verricht omdat hij in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte, zwangerschap of bevalling daartoe verhinderd was.

6.4.4. Niet in geschil is dat appellante naar aanleiding van het besluit van 23 juli 2003 aansluitend aan de wachttijd van 52 weken aan werkneemster B. vier maanden het volledige loon heeft doorbetaald. De Raad is van oordeel dat gelet op de in 6.4.2 en 6.4.3 weergegeven wettelijke bepalingen, in onderlinge samenhang gelezen, de aan appellante opgelegde loondoorbetalingsverplichting van vier maanden niet meer inhield dan de verplichting voor appellante gedurende die periode aan de werkneemster 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon, althans het wettelijk minimumloon, te betalen. Dit heeft tot gevolg dat, anders dan appellante meent, in beginsel niet 100% maar 70% van het als gevolg van het onrechtmatige loonsanctiebesluit doorbetaalde loon aan het Uwv kan worden toegerekend, zij het met inachtneming van voormeld minimum.

6.4.5. Ten aanzien van appellantes grief dat het Uwv willekeurig handelt omdat aan enige andere werkgevers in een vergelijkbare situatie wel 100% van de loonschade is vergoed, merkt de Raad op dat de betreffende besluiten zijn genomen op basis van een interne Uwv-richtlijn van 28 april 2006. Zoals de gemachtigde van het Uwv ter zitting van de Raad heeft verklaard was deze richtlijn niet geheel duidelijk geformuleerd en hebben enige Uwv-kantoren in een aantal gevallen in strijd met de bedoeling van de richtlijn 100% van de geclaimde loonschade vergoed. De tekst van de richtlijn is in oktober 2006 aangepast. Sedertdien is in beginsel niet meer dan 70% van het over de periode van de loonsanctie doorbetaalde loon vergoed.

De Raad is van oordeel dat het Uwv na de aanpassing van de tekst van de richtlijn niet was gehouden een kennelijk niet bedoelde handelwijze te continueren. Het Uwv heeft met het bij het besluit van 24 november 2006 ingenomen standpunt dat 70% van het doorbetaalde loon aan appellante wordt vergoed dan ook niet willekeurig gehandeld.

6.4.6. Hetgeen in 6.4.4 en 6.4.5 is overwogen leidt tot de conclusie dat het Uwv aan appellante 70% van het over de periode van 30 april 2003 tot en met 29 augustus 2003 doorbetaalde loon, althans het wettelijk minimum loon, dient te vergoeden. Voorts dient de over dit loon in die periode opgebouwde vakantietoeslag te worden vergoed. De door appellante gestelde schade, bestaande uit de aan de loondoorbetaling verbonden werkgeverslasten, staat naar het oordeel van de Raad in een zodanig nauw verband met deze loondoorbetaling dat ook deze posten deel uitmaken van de geleden schade. Het standpunt van het Uwv dat betaalde premies alleen worden vergoed voor zover die te verhalen zijn op het Arbeidsongeschiktheidsfonds of het Algemeen Werkloosheidsfonds dient dan ook te worden verworpen. Tussen partijen is niet in geschil dat over het aldus vastgestelde schadebedrag wettelijke rente is verschuldigd.

6.5. Ten aanzien van de door appellante gevorderde € 60,- aan administratiekosten heeft de gemachtigde van appellante verklaard dat het hierbij gaat om de kosten die zijn gemaakt om de verplichting tot loondoorbetaling in de administratie op te nemen. De Raad stelt vast dat appellante deze claim niet nader heeft onderbouwd. Naar het oordeel van de Raad heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat deze kosten zijn gemaakt. De Raad ziet derhalve geen aanleiding het Uwv te veroordelen tot vergoeding van deze geclaimde schade.

7. Hetgeen onder 6.1 tot en met 6.5. is overwogen leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak, voor zover deze is aangevochten, niet in stand kan blijven.

8. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de tot dusverre gemaakte proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van de schade als hiervoor is aangegeven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in verzet en in hoger beroep tot een bedrag groot € 805,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 414,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E. de Bree.

JL