Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BE9240

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-08-2008
Datum publicatie
28-08-2008
Zaaknummer
06-6136 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In verband met inkomsten uit arbeid is de mate van arbeidsongeschiktheid gesteld op 35 tot 45%. Terugvordering onverschuldigd betaalde WAO-uitkering. Intrekking WAO-uitkering: minder dan 15% arbeidsongeschiktheid. Werkzaamheden weer hervat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6136 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 13 september 2006, 05/1122 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak:13 augustus 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.G.M. Hilkens, advocaat te Echt, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2008. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Hilkens. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.V. de Wal.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontving een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die vanaf 4 maart 2004 werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluiten van 17 en

18 januari 2005 heeft het Uwv met toepassing van artikel 44 van de WAO de uitkering over de jaren 2002 en 2003 in verband met inkomsten uit arbeid van appellant uitbetaald als was appellant 35 tot 45% arbeidsongeschikt. Bij besluit van 2 februari 2005 heeft het Uwv teruggevorderd hetgeen over de jaren 2002 en 2003 teveel was betaald. Bij besluit van 19 januari 2005 heeft het Uwv de uitkering met ingang van 7 maart 2005 ingetrokken onder de overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid per die datum was afgenomen beneden de 15%.

1.2. De bezwaren van appellant tegen de besluiten van 17 en 18 januari 2005, 19 januari 2005 en 2 februari 2005 zijn bij besluit van 21 juni 2005, hierna: het bestreden besluit, ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Wat betreft het besluit de uitkering in te trekken met ingang van 7 maart 2005 heeft de rechtbank overwogen dat dit besluit berust op een juiste, althans toereikende, medische grondslag en dat de arbeidskundige grondslag voldoende transparant, verifieerbaar en toetsbaar is en dat de mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15% juist is gewaardeerd.

3. Appellant kan zich niet met de aangevallen uitspraak verenigen. In hoger beroep is aangevoerd dat de medische beperkingen van appellant zijn onderschat. Ten onrechte is er van uitgegaan dat de gezondheidssituatie van appellant na een operatie van de hernia aan de borstwervels en een nieuwe operatie in verband met complicaties begin 2004 weer is verbeterd. Bij appellant is een aneurysma in de hersenen vastgesteld, waarvoor hij wordt behandeld en waarvan hij beperkingen ondervindt. Er is geen rekening gehouden met de longklachten van appellant en met het feit dat hij hiervoor niet alle medicatie kan gebruiken die hij nodig heeft in verband met het aneurysma. Appellant lijdt voorts al sedert 2002 aan de gevolgen van een whiplashtrauma na een ongeval waardoor hij blijkens de rapporten van 21 november 2005 van het Neuro-Orthopaedisch Centrum te Bilthoven en van 15 februari 2006 van de sociaal geneeskundige J.F.G.M. Thissen ernstig beperkt is voor nekbewegingen, lang lopen, zitten en staan, werk boven schouderhoogte en voor zwaar duwen/trekken en tillen/dragen. Appellant heeft verder concentratie- en geheugenproblemen. De rechtbank had, gelet op de door appellant overgelegde informatie, nader deskundigenonderzoek moeten laten verrichten.

4. Zoals de gemachtigde van appellant ter zitting van de Raad heeft bevestigd beperkt het hoger beroep zich tot het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit, voorzover dat betrekking heeft op de intrekking van de uitkering per 7 maart 2005.

5.1. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit deelt de Raad het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dit berust. De bezwaarverzekeringsarts J. Jonker beschikte over informatie van de huisarts, de longarts en de neurochirurgen van appellant en heeft in haar rapport van 20 juni 2005 alle door appellant genoemde klachten met betrekking tot het bewegingsapparaat, longen en hersenen besproken en uiteengezet om welke reden de aangenomen beperkingen voldoende zijn. Daarbij heeft zij er op gewezen dat appellant ten tijde van het onderzoek van de arbeidsdeskundige op 6 januari 2005 zijn (nacht)werkzaamheden als krantendistributeur voor 6 dagen per week weer had hervat, zodat onder andere op het gebied van geheugen, concentratie en nekbewegingen een normale belasting mogelijk moet zijn. De door appellant overgelegde en in de letselschadezaak uitgebrachte neurologisch-orthopedische rapportage, biedt naar het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts geen nieuwe gezichtspunten. In hetgeen van de zijde van appellant in hoger beroep naar voren is gebracht ziet de Raad onvoldoende aanknopingspunten tot twijfel aan de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts. Uit de thans voorhanden zijnde medische informatie kan niet worden afgeleid dat er bij de medici twijfel of verschil van mening bestaat omtrent de gezondheidstoestand van appellant op 7 maart 2005. Ook overigens ziet de Raad geen redenen om een deskundigenonderzoek te laten plaatsvinden.

5.2. Uitgaande van de juistheid van de door het Uwv vastgestelde medische beperkingen is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de geschiktheid van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies in voldoende mate is gemotiveerd. Daarvoor verwijst de Raad naar de zich onder de gedingstukken bevindende rapporten van de (bezwaar)arbeidsdeskundigen, welke rapportages op zichzelf van de zijde van appellant niet zijn bestreden.

6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, bevestigd moet worden.

7. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2008.

(get.) C.P.M. van de Kerkhof.

(get.) A.C. Palmboom.

JL