Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BE9129

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-08-2008
Datum publicatie
25-08-2008
Zaaknummer
07-1817 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag. De gang van zaken rond de huwelijksvoltrekking is betrokkene zwaar aangerekend. Plichtsverzuim kan niet worden vastgesteld. Hetgeen resteert als plichtsverzuim onderscheidt zicht niet in betekenende mate van de situatie van een collega, die een schriftelijke berisping heeft gekregen. Disciplinair ontslag; leges niet afgerekend; huwelijksformaliteiten.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2009/42
JB 2008/241
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1817 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 januari 2007, 05/5270 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het Dagelijks Bestuur van het stadsdeel Slotervaart van de gemeente Amsterdam (hierna: dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 21 augustus 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. M. el Ahmadi, advocaat te Utrecht. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.D. Jansen, werkzaam bij het stadsdeel Slotervaart, bijgestaan door mr. E. Tellingen, voorheen werkzaam bij het Bureau Integriteit van de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellante was werkzaam bij de gemeente Amsterdam, stadsdeel Slotervaart (hierna: stadsdeel), als allround medewerker burgerzaken. Eind 2004 is het Bureau Integriteit van de gemeente Amsterdam een onderzoek gestart naar aanleiding van vermoede onregel-matigheden bij de afdeling Burgerzaken van het stadsdeel.

1.2. Naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek van het Bureau Integriteit heeft het dagelijks bestuur appellante bij besluit van 27 juni 2005 de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Aan dat ontslag zijn de volgende gedragingen ten grondslag gelegd:

- a. het in de registers van de burgerlijke stand laten opnemen van haar huwelijk, wetende dat de wettelijk voorgeschreven procedure voor het afsluiten van dit huwelijk niet heeft plaatsgevonden;

- b. het ten behoeve van haar huwelijk aanmaken van een uittreksel van de burgerlijke stand op haar naam zonder daartoe de verschuldigde leges af te dragen aan het stadsdeel;

- c. het vermoedelijk valselijk opmaken van de huwelijksakte door het plaatsen van valse handtekeningen voor de bruidegom en de getuigen;

- d. het onder haar gebruikers-ID verstrekken van uittreksels waarvan de verschuldigde leges niet zijn terug te vinden in de kassa van de afdeling.

1.3. Bij beslissing op bezwaar van 25 oktober 2005 heeft het dagelijks bestuur het ontslagbesluit gehandhaafd, met dien verstande dat daaraan, waar het betreft de hiervoor onder c. en d. vermelde gedragingen, het volgende ten grondslag is gelegd:

- c. het zodanig onzorgvuldig handelen en omgaan met wettelijk voorgeschreven regels inzake het huwelijk dat twijfel kan ontstaan aan het opmaken van de huwelijksakte waardoor het vermoeden ontstaat dat valsheid in geschrifte is gepleegd;

- d. het dusdanig omgaan met de gebruikers-ID van de gemeentelijke basisadministratie Amsterdam dat gerede twijfel ontstaat over een zorgvuldige en integere behandeling en afhandeling van de verstrekking van gegevens uit deze administratie.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat appellante plichtsverzuim heeft gepleegd door voor het haar betreffende uittreksel uit de burgerlijke stand dat ten behoeve van haar huwelijk is aangemaakt niet te betalen. Dat zij in de veronderstelling verkeerde dat haar aanstaande echtgenoot zou betalen, die op zijn beurt dacht dat zij dat zou doen, doet niet af aan het feit dat de leges niet is betaald, en dat appellante, aangezien het om haar uittreksel gaat, daarvoor verantwoordelijk is te achten.

3.2. Wat betreft het huwelijk van appellante acht de Raad van groot belang dat er voor appellante en haar aanstaande echtgenoot geen formele beletselen waren om met elkaar in het huwelijk te treden. Omdat appellante en haar aanstaande echtgenoot de huwelijksvoltrekking kennelijk louter als een formaliteit zagen, is daaraan, zo moet de Raad vaststellen, verder geen officieel karakter gegeven. De omstandigheid dat het huwelijk min of meer tussen de ambtsbezigheden van appellante door heeft plaatsgevonden moet dan ook veeleer in dat kader worden bezien, en doet op zichzelf niet het vermoeden ontstaan dat valsheid in geschrifte is gepleegd.

Ook de verdere gang van zaken rond het huwelijk doet dat vermoeden niet ontstaan. Weliswaar heeft de betrokken ambtenaar van de burgerlijke stand tijdens het onderzoek door het Bureau Integriteit verklaard dat de bruidegom en de getuigen niet bij de huwelijksvoltrekking aanwezig waren, maar die verklaring spoort niet met de op 10 juni 2003 door deze ambtenaar opgemaakte huwelijksakte en ook niet met de door appellante tijdens bedoeld onderzoek afgelegde verklaring.

Dat appellante en haar aanstaande echtgenoot over en weer niet de in het Burgerlijk Wetboek voorgeschreven belofte van trouw hebben uitgesproken, is de verantwoordelijkheid van de betrokken ambtenaar van de burgerlijke stand. Deze heeft desondanks op 10 juni 2003 de huwelijksakte opgemaakt, waarmee het huwelijk geacht wordt te zijn gesloten, waarna deze huwelijksakte op zichzelf bezien rechtsgeldig in het register van de burgerlijke stand is ingeschreven.

Anders dan de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat appellante ten aanzien van haar huwelijksvoltrekking geen plichtsverzuim heeft gepleegd.

3.3. De Raad is verder van oordeel dat appellante wel plichtsverzuim heeft gepleegd door dusdanig om te gaan met de gebruikers-ID van de gemeentelijke basisadministratie Amsterdam dat twijfel ontstaat over een zorgvuldige afhandeling van gegevens. Dat de gebruikers-ID over en weer door collega’s werd gebruikt en dat de administratie van de afdeling niet op orde was - ter zitting is vastgesteld dat toentertijd geen deugdelijke kascontrole plaatsvond - doet er niet aan af dat appellante, naar zij wist, met het oog op de controleerbaarheid van gegevens, verplicht was haar gebruikers-ID, zoals zij ook had beloofd bij de ontvangst ervan, alleen voor zichzelf te gebruiken en niet aan anderen uit te lenen.

Wel doet deze gang van zaken op de afdeling, naar het oordeel van de Raad, af aan de ernst van het door appellante gepleegde plichtsverzuim.

3.4. Het dagelijks bestuur heeft bij het vaststellen van de zwaarte van de disciplinaire straf appellante de gang van zaken rond de huwelijksvoltrekking zwaar aangerekend. Nu in dat opzicht evenwel geen plichtsverzuim kan worden vastgesteld, zal het dagelijks bestuur zich opnieuw dienen te beraden over de zwaarte van de straf. De Raad overweegt geheel ten overvloede dat hetgeen resteert als plichtsverzuim zich niet in betekenende mate onderscheidt van de situatie van appellantes collega B, die, naast het op de afdeling gebruikelijke vrije gedrag met de gebruikers-ID, de verschuldigde leges voor ondertrouw en uittreksels van de burgerlijke stand ten behoeve van het huwelijk van haar tante niet heeft afgerekend. Het dagelijks bestuur heeft die collega wegens plichtsverzuim een schriftelijke berisping gegeven.

3.5. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het bestreden besluit ten onrechte in stand heeft gelaten. De Raad zal die uitspraak vernietigen en, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren, dat besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen en het dagelijks bestuur opdragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak van de Raad. Het dagelijks bestuur zal bij het nemen van een nader besluit tevens aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.

4. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding het dagelijks bestuur op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante, in beroep begroot op € 644,- wegens rechtsbijstand en in hoger beroep eveneens op € 644,- wegens rechtsbijstand, derhalve in totaal € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit op bezwaar van 25 oktober 2005;

Draagt het dagelijks bestuur op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 1.288,-, te betalen door de gemeente Amsterdam;

Bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan appellante het door haar in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 349,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.G. Treffers en W. van den Brink als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2008.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) K. Moaddine.

HD

21.07