Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BE9126

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-08-2008
Datum publicatie
25-08-2008
Zaaknummer
06-6068 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag. Plichtsverzuim. Verwijtbaarheid. Betrokkene heeft niet voldaan aan de uit de hem opgelegde taken voortvloeiende verplichting om zich beschikbaar te houden voor gladheidsbestrijding buiten zijn reguliere werktijden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6068 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 11 september 2006, 05/1124 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Twenterand (hierna: college)

Datum uitspraak: 7 augustus 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. R.F. Kötter, advocaat te Wierden. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.P.W. Steuten, verbonden aan CAPRA te ’s-Hertogenbosch, en A.J. Daenen, werkzaam bij de gemeente Twenterand.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was werkzaam als medewerker Groenbeheer van het bureau Buitendienst van de afdeling Beheer en Uitvoering, onderdeel van de sector Ruimtelijke Zaken, van de gemeente Twenterand.

1.2. Bij besluit van 10 februari 2004 heeft het college appellant de disciplinaire straf van ontslag opgelegd als bedoeld in artikel 8:13 van de Collectieve Arbeidsvoorwaarden-regeling en Uitwerkingsovereenkomst voor de sector gemeenten (CAR/UWO), dit onder de bepaling dat deze straf met toepassing van artikel 16:1:2, derde lid, van de CAR/UWO niet ten uitvoer zal worden gelegd indien appellant zich binnen een termijn van drie jaar niet schuldig maakt aan (soortgelijk) plichtsverzuim. Het aan dit besluit ten grondslag gelegde plichtsverzuim betreft (onder meer) weigeringen van appellant om opdrachten tot gladheidsbestrijding uit te voeren. Aangezien appellant zijn tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift heeft ingetrokken, is dit besluit in rechte onaantastbaar geworden.

1.3. Gezien de verklaring van appellant dat hij in verband met het gebruik van hem door de huisarts voorgeschreven slaaptabletten niet kon deelnemen aan de strooidienst ten behoeve van de gladheidsbestrijding (in de avond en de nachtelijke uren) hebben enkele leidinggevenden in november 2004 met appellant afgesproken dat het oordeel van de bedrijfsarts hierover zou worden gevraagd en dat dit oordeel bepalend zou zijn.

Bij brief van 25 november 2004 heeft de bedrijfsarts vervolgens desgevraagd bericht dat hij in overleg met de behandelend psycholoog van appellant adviseerde deze tot 1 januari 2005 niet in te zetten bij de gladheidsbestrijding; per 1 januari 2005 is appellant normaal volgens schema inzetbaar.

1.4. Bij besluit van 29 maart 2005 heeft het college het besluit van 10 februari 2004 tot het opleggen van voorwaardelijk strafontslag ten uitvoer gelegd en appellant met ingang van 7 april 2005 de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Hieraan ligt ten grondslag dat appellant zich op 24 en 25 januari 2005 schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim dat soortgelijk is aan dat waarop het besluit van 10 februari 2004 is gebaseerd. Bij het bestreden besluit van 9 augustus 2005 heeft het college dit ontslagbesluit na door appellant daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. De Raad stelt allereerst vast dat, naar tussen partijen ook niet meer in geschil is, het tot de taken van appellant behoorde om ook buiten zijn reguliere werktijden deel te nemen aan gladheidsbestrijding.

3.2. Uit de gedingstukken komt naar voren dat op 24 januari 2005 omstreeks 4.00 uur in de ochtend vanwege de dienst is getracht telefonisch contact met appellant te verkrijgen om hem op te roepen voor deelname aan gladheidsbestrijding. Aangezien niet werd opgenomen, is toen de voicemail van appellant ingesproken, maar een reactie bleef uit. Diezelfde dag is appellant hierover door zijn leidinggevende onderhouden en is hem gezegd rekening te houden met de mogelijkheid dat hij de volgende ochtend vanaf 4.00 uur zal worden opgeroepen om (tegen gladheid) te strooien. Op 25 januari 2005 is vervolgens inderdaad vanwege de dienst met het oog op gladheidsbestrijding naar appellant gebeld maar weer werd geen gehoor gekregen en is de voicemail ingesproken.

3.3. Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat appellant op 24 en 25 januari 2005 niet aan de uit de hem opgelegde taken voortvloeiende verplichting om zich beschikbaar te houden voor gladheidsbestrijding buiten zijn reguliere werktijden, heeft voldaan en dus sprake is van plichtsverzuim. De Raad acht voorts geen grond aanwezig voor het oordeel dat appellant dit plichtsverzuim in het geheel niet kan worden verweten. Daartoe wordt het volgende overwogen.

3.4. Zoals uit het onder 1.3 vermelde blijkt, was de bedrijfsarts van oordeel dat appellant vanaf 1 januari 2005 weer normaal kon worden ingezet bij de gladheidsbestrijding en zouden beide partijen zich bij dat oordeel neerleggen. Dat in dat oordeel van de bedrijfsarts naderhand verandering is gekomen, blijkt niet (genoegzaam) uit de gedingstukken. Weliswaar heeft appellant zich op 12 januari 2005 op aangeven van zijn leidinggevende tot de bedrijfsarts gewend en heeft deze arts toen volgens appellant gezegd dat als appellant geen gladheidsbestrijdingswerk meer hoeft te doen, zijn probleem is opgelost maar, al aangenomen dat deze arts zich aldus heeft uitgelaten, wil dit niet zeggen dat appellant om medische reden dat werk niet mocht doen. Dit spreekt temeer nu vanwege het college omstreeks diezelfde tijd aan de bedrijfsarts is gevraagd om bij aanwezigheid van een medische reden in voormelde zin daarover een schriftelijke verklaring te verstrekken. Zo’n verklaring is er evenwel niet gekomen en de gedingstukken bevatten ook aanwijzingen dat de bedrijfsarts geen aanleiding zag deze af te geven.

3.5. Daarnaast merkt de Raad op dat niet is gebleken dat van de zijde van het college enig signaal is afgegeven in de richting van appellant dat hij niet zou worden opgeroepen voor gladheidsbestrijding als hier in geding of dat daarover nog beraad zou plaatsvinden. Zeker toen appellant op 24 januari 2005 erop was aangesproken dat hij die ochtend niet was komen opdagen en was gewaarschuwd dat hij waarschijnlijk de volgende ochtend zou worden opgeroepen, had hij niet zonder ziekmelding en acceptatie daarvan door de bedrijfsarts de oproep mogen negeren. In de gegeven omstandigheden moest appellant er dan ook van uitgaan dat hij zich voor die bestrijding beschikbaar diende te houden.

3.6. Hieruit volgt dat in dit geval de voorwaarde om uitvoering te kunnen geven aan het voorwaardelijke strafontslag was vervuld en het college daartoe bevoegd was. Van bijzondere feiten of omstandigheden die reden geven voor het oordeel dat het college bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken, is niet gebleken.

3.7. Ten slotte verwerpt de Raad de grief van appellant dat de wijze waarop hij voorafgaand aan het opleggen van het ontslag per 7 april 2005 is gehoord, niet zorgvuldig is geweest. Dat de gemeentesecretaris, anders dan aangekondigd, niet bij dit horen was betrokken, is immers niet in strijd met enige rechtsregel of enig rechtsbeginsel. Hetzelfde geldt voor de wel aanwezigheid van het sectorhoofd bij dit horen.

3.8. Gezien het vorenstaande slaagt het hoger beroep niet en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en J.Th. Wolleswinkel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2008.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M.B. de Gooijer.

HD

15.07