Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BE9110

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-08-2008
Datum publicatie
28-08-2008
Zaaknummer
06-6195 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking (volledige) WAO-uitkering. Gaat het CBBS na systeemaanpassing nog steeds mank aan een structurele onvolkomenheid? Beroep terecht gegrond verklaard? Proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6195 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 6 oktober 2006, 05/491 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 15 augustus 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en daarbij gevoegd het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige G.J.A. Smelt van 24 oktober 2006.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend en daarin G. Grote Beverborg, werkzaam bij adviesbureau Arcon te Borne, als haar gemachtigde aangewezen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2008.

Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Ruis. Betrokkene is - met kennisgeving - niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Betrokkene was werkzaam als verkoopster toen zij zich op 21 november 1995 ziek meldde in verband met whiplashklachten. Aan betrokkene is met ingang van 19 november 1996 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) toegekend, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

2. In het kader van een herbeoordeling heeft verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgehad op 3 januari 2005. De daarbij vastgestelde beperkingen van betrokkene zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Bij het arbeidskundig onderzoek werd na functieduiding berekend dat betrokkene geen verlies aan verdienvermogen had. Vervolgens trok appellant bij besluit van 12 januari 2005 de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 2 maart 2005 in.

3. In de bezwaarprocedure concludeerde de bezwaarverzekeringsarts J.P. Voogd in een rapport van 24 maart 2005, na weging van onder andere de beschikbaar gekomen informatie van de behandelend sector, dat de FML enige aanpassing behoefde, hetgeen werd vastgelegd in een, op 24 maart 2005 gedateerde, gewijzigde versie van de FML. De in rubriek I van deze uitspraak vermelde bezwaararbeidsdeskundige Smelt heeft vervolgens de medische geschiktheid van de geduide functies beoordeeld aan de hand van de gewijzigde FML en in een rapport van 18 april 2005 vastgesteld dat deze functies gehandhaafd konden blijven. Hierna verklaarde appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 12 januari 2005 bij zijn besluit van 22 april 2005 ongegrond.

4.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het besluit van 22 april 2005 (hierna: het bestreden besluit) gegrond, vernietigde het bestreden besluit en droeg appellant op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar uitspraak. De rechtbank gaf tevens beslissingen omtrent vergoeding aan betrokkene van griffierecht en proceskosten.

4.2. De rechtbank onderschreef de medische grondslag van het bestreden besluit.

De rechtbank overwoog bij haar oordeel te hebben betrokken het rapport van 27 juni 2006 van de door haar als deskundige benoemde neuroloog J.J.W. Prick, die zich kon verenigen met de voor betrokkene vastgestelde belastbaarheid, zoals aangepast door Voogd, en betrokkene in staat achtte 38 uur per week te werken.

4.3. De rechtbank kon zich - onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad over het Claim Beoordelings- en borgingssysteem (CBBS) van 9 november 2004 (o.a. LJN: AR4716) en haar uitspraken van 13 januari 2006 (LJN: AU9706 en 9709) - niet verenigen met de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. De rechtbank heeft in het bijzonder geoordeeld dat ook het per 1 juli 2005 aangepaste CBBS gebreken vertoont in die zin dat markeringen ontbreken bij zogenoemde matchende beoordelingspunten, onder andere in het geval dat voor een beoordelingspunt van de FML de normaalwaarde geldt en de functie een bijzondere belasting kent op het overeenkomende punt van de functiebelasting. Voorts valt volgens de rechtbank bij niet matchende beoordelingspunten van de FML niet uit te sluiten dat een functie een bijzondere belasting kent die de normaalwaarde te boven gaat. De rechtbank heeft ten slotte in haar uitspraak enige voorbeelden gegeven ter onderstreping van haar oordeel.

5.1. Appellant heeft in hoger beroep - onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 12 oktober 2006 (o.a. LJN:AY9971) - gesteld dat dit is gericht tegen het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. Appellant heeft daarnaast nog de hoogte van de proceskostenveroordeling aangevochten. Nu betrokkene immers zelf beroep had ingesteld, had volgens appellant alleen vergoeding voor één proceshandeling, te weten het verschijnen van haar gemachtigde ter zitting van de rechtbank, in die veroordeling kunnen worden betrokken, zodat in plaats van € 644,- aan betrokkene € 322,- had moeten worden vergoed. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant met verwijzing naar het rapport van Smelt van 24 oktober 2006 verzocht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand te laten.

5.2. Betrokkene heeft zich in haar verweerschrift achter de aangevallen uitspraak geschaard. Haar gemachtigde heeft dit herhaald in de in rubriek I vermelde kennisgeving van afwezigheid van betrokkene bij de behandeling van het onderhavige hoger beroep ter zitting.

6.1. De Raad stelt voorop dat hij zich, gelet op de omschrijving door appellant van de reikwijdte van zijn hoger beroep en op de geformuleerde beroepsgronden, alsmede in aanmerking genomen de, door de gemachtigde van betrokkene bevestigde, inhoud van het verweerschrift, bij de beoordeling van dit hoger beroep zal beperken tot de door appellant geformuleerde punten van geschil.

6.2. De Raad is - onder verwijzing naar zijn in 5.1. vermelde uitspraken van 12 oktober 2006 - van oordeel dat met het aangepaste CBBS in voldoende mate is tegemoet gekomen aan de bezwaren tegen dit systeem, geformuleerd in zijn uitspraken van 9 november 2004. De Raad kwam echter wel, zich kerend tegen de mogelijke omzetting van een “M” in een “G”, tot de slotsom dat alle markeringen dienden te worden toegelicht. Met het Uwv is de Raad van oordeel dat hieraan is voldaan met de motiveringen gegeven in de rapporten van Smelt van 18 april 2005 en 24 oktober 2006, welk laatste rapport in hoger beroep is overgelegd, alsmede met de op het resultaat functiebeoordelingen, gedateerd 5 oktober 2005 en gevoegd bij het verweerschrift in eerste aanleg, geplaatste aantekeningen met pen.

6.3. De Raad overweegt voorts dat volgens zijn uitspraak van 1 februari 2008 onvoldoende aanknopingspunten bestaan om het in 6.2 vermelde oordeel over het aangepaste CBBS niet langer juist te achten vanwege het gebruik van het begrip bijzondere belasting. In deze uitspraak is vastgesteld dat, zo al niet een functie met een bijzondere belasting automatisch door het systeem wordt verworpen, deze functie op het resultaat eindselectie steeds van een signalering wordt voorzien ten teken van een mogelijke overschrijding van de belastbaarheid van de betrokkene op dit punt. Voorts is in deze uitspraak geoordeeld dat genoegzaam vast staat dat in gevallen waarin iemand op een bepaald aspect niet beperkt wordt geacht en dus belastbaar is volgens de normaalwaarde, het zich voordoen in een functie van een bijzondere belasting op dat aspect niet betekent dat sprake is van een mogelijke overschrijding van de belastbaarheid van de betrokken verzekerde, zijnde de normaalwaarde. In zoverre volgt de Raad, in het voetspoor van de uitspraak van 1 februari 2008, de rechtbank derhalve niet in haar oordeel dat het CBBS ook na de systeemaanpassing nog steeds mank gaat aan een structurele onvolkomenheid.

6.4. Nu het bestreden besluit wat de medische geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies eerst met het rapport van Smelt in hoger beroep afdoende is gemotiveerd, concludeert de Raad dat het beroep op zich terecht gegrond is verklaard en het bestreden besluit eveneens terecht is vernietigd door de rechtbank, maar dat in plaats van de door de rechtbank gegeven opdracht aan appellant moet worden bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven. In verband met dit laatste kan de aangevallen uitspraak in zoverre niet worden gehandhaafd.

6.5.1. Wat betreft de proceskostenveroordeling stelt de Raad voorop dat uit de aangevallen uitspraak niet valt af te leiden op welke proceshandelingen deze ziet. Weliswaar kan appellant, nu betrokkene het beroep zelf heeft ingesteld en gemotiveerd, worden gevolgd in het standpunt dat deze proceshandeling niet op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) in aanmerking kan worden genomen bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding. Er kan echter naar het oordeel van de Raad niet aan worden voorbijgezien dat de in de loop van de procedure in eerste aanleg door de betrokkene aangestelde gemachtigde, naast het verschijnen ter zitting van de rechtbank wel een, zij het summiere, schriftelijke zienswijze naar voren heeft gebracht met betrekking tot het rapport van de door de rechtbank benoemde deskundige. Volgens de bij het Bpb behorende bijlage, onder A, sub A1, bij punt 6, wordt een dergelijke zienswijze gewaardeerd met een halve punt.

6.5.2. Gelet op het in overwogene in 6.5.1 behoeft de proceskostenveroordeling in eerste aanleg derhalve correctie in die zin dat deze dient te worden gesteld op € 483,-. Ook in zoverre kan de aangevallen uitspraak derhalve niet worden gehandhaafd.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarin aan appellant de opdracht is gegeven tot het nemen van een nieuw besluit en voorzover deze betreft de daarin opgenomen proceskostenveroordeling;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in beroep tot een bedrag groot € 483,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en C.P.J. Goorden en R.P.Th. Elshoff als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.W.A. Schimmel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.W.A. Schimmel.

RB