Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BE9070

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-08-2008
Datum publicatie
26-08-2008
Zaaknummer
06-1009 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering (onverschuldigd betaalde) WAO-uitkering wegens inkomsten uit arbeid. Rekening-courant verhouding met werkgever. Gegevens belastingdienst. Geen dringende redenen om af te zien.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1009 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 6 januari 2006, 05/518 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 augustus 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.F.M. van den Ekart, advocaat te Dordrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief (met bijlagen) van 1 februari 2008 zijn de gronden van het hoger beroep nader aangevuld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2008. Appellant is in persoon verschenen bijgestaan door mr. Van den Ekart, voornoemd. Voor het Uwv is verschenen mr. P.C.M. Huijzer, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Hij heeft daarbij bepaald dat appellant zijn stelling omtrent zijn verdiensten in 2003 voorziet van bewijsstukken en dat, gelet op de door appellant ontvangen belastingaanslagen, het Uwv nader onderzoek dient te doen naar appellants verdiensten in de jaren 1999 tot en met 2001.

Bij brieven (met bijlagen) van 12 maart 2008, 11 april 2008 en 14 april 2008 hebben partijen de Raad nadere stukken doen toekomen.

Bij brief van 20 mei 2008 heeft het Uwv zijn brief van gelijke datum aan de gemachtigde van appellant de Raad doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 11 juli 2008. Appellant is in persoon verschenen, wederom bijgestaan door mr. Van den Ekart. Voor het Uwv is verschenen mr. Huijzer, voornoemd.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan appellant is een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Met ingang van 1 januari 2002 wordt deze uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

2. Bij besluiten van 10 november 2004 heeft het Uwv met toepassing van artikel 44 van de WAO de aan appellant op grond van deze wet verstrekte uitkering:

- over de jaren 1999, 2000 en 2001 niet betaalbaar gesteld in verband met inkomsten uit arbeid, genoten bij [naam werkgever 1];

- over het jaar 2002 betaalbaar gesteld als ware hij voor 25 tot 35% arbeidsongeschikt in verband met inkomsten, genoten bij [naam werkgever 2].;

- over de periode van 16 augustus 2003 tot 1 november 2003 betaalbaar gesteld als ware hij voor 65 tot 80% arbeidsongeschikt in verband met inkomsten uit arbeid, genoten bij [C. T.], handelend onder de naam [naam werkgever 3].

Bij besluit van 17 november 2004 heeft het Uwv het bedrag aan onverschuldigd betaalde uitkering over evenvermelde perioden van appellant teruggevorderd.

2.1. Aan deze besluiten ligt mede ten grondslag een rapport uitkeringsfraude van 26 maart 2004, dat is opgemaakt naar aanleiding van een melding van de Belastingdienst. Deze dienst heeft onderzoek gedaan naar het bedrijf [naam werkgever 1]. Dit bedrijf heeft per september 2001 zijn bedrijfsactiviteiten gestaakt. Uit dit onderzoek is gebleken dat appellant een rekening-courant verhouding had met dit bedrijf en dat aan hem bepaalde vergoedingen zijn verstrekt. Met uitzondering van de aan appellant verstrekte onbelaste kilometervergoeding zijn deze vergoedingen door de Belastingdienst als loon aangemerkt. Het rapport uitkeringsfraude vermeldt het inkomen over de jaren 1999 tot en met 2001 dat appellant volgens de Belastingdienst heeft genoten bij [naam werkgever 1]. Verder maakt dit rapport melding van het gegeven dat appellant op 1 september 2001 in dienst is getreden bij [naam werkgever 2]. en dat hij dit niet tijdig heeft gemeld. Het inkomen dat appellant bij deze vennootschap heeft genoten, staat eveneens in dit rapport vermeld. Met betrekking tot appellants inkomen bij [naam werkgever 3] vermeldt het rapport slechts dat ondanks zijn toezegging appellant geen loonstroken heeft opgestuurd. De toepassing van artikel 44 van de WAO over de periode 16 augustus 2003 tot 1 november 2003 is gebaseerd op de door [naam werkgever 3] desgevraagd aan het Uwv verstrekte inkomensgegevens.

3. Bij besluit van 12 april 2005 heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de hiervoor genoemde besluiten gegrond verklaard voor wat betreft het jaar 2002. Van toepassing van artikel 44 van de WAO over dit jaar heeft het Uwv alsnog afgezien. In verband hiermede heeft het Uwv tevens het bedrag aan uitkering dat van appellant wordt teruggevorderd, neerwaarts bijgesteld. Voor het overige heeft het Uwv de bezwaren van appellant ongegrond verklaard. Bij zijn besluit van 12 april 2005 heeft het Uwv gevoegd een rapportage van een bezwaararbeidsdeskundige van 5 april 2005, in welke rapportage de wijze waarop artikel 44 van de WAO is toegepast, is uiteengezet.

4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 12 april 2005 ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv mogen uitgaan van de gegevens van de Belastingdienst met betrekking tot appellants inkomen bij [naam werkgever 1]. De stelling van appellant dat deze gegevens onjuist zijn en dat het Uwv had moeten uitgaan van de door hem zelf aan het Uwv opgegeven loongegevens en de gegevens zoals door hem zelf zijn doorgegeven aan de Belastingdienst, heeft de rechtbank onvoldoende geacht om tot een andere conclusie te komen. De rechtbank heeft met betrekking tot de inkomsten van appellant bij [naam werkgever 2]. overwogen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat het Uwv van onjuiste gegevens is uitgegaan. Met betrekking tot de inkomsten van appellant bij [naam werkgever 3] heeft de rechtbank overwogen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat het Uwv niet had mogen uitgaan van de door deze werkgever verstrekte gegevens.

5. Appellant heeft de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden, althans voor wat betreft zijn verdiensten bij [naam werkgever 1] en [naam werkgever 3].

6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6.1. Met betrekking tot het door appellant genoten inkomen bij [naam werkgever 1] is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het Uwv had mogen uitgaan van de door de Belastingdienst aangeleverde gegevens. Anders dan door appellant is gesteld, acht de Raad niet beslissend de aangiften die appellant heeft gedaan bij de Belastingdienst, welke aangiften blijkens de door hem overgelegde belastingaanslagen kennelijk zijn geaccepteerd door deze dienst. Beslissend is het gegeven dat de inhoudingsplichtige, [naam werkgever 1], het door appellant genoten loon in de betrokken periode naar een te laag bedrag heeft verantwoord. Uit de door appellant overgelegde, door de Belastingdienst gedane uitspraak van 16 november 2005 op een bezwaarschrift van [naam werkgever 1] valt niet af te leiden dat de Belastingdienst afstand heeft genomen van de door hem aan het Uwv aangeleverde gegevens omtrent het door appellant genoten inkomen in de jaren 1999 tot en met 2001. Dit besluit ziet voor wat betreft het inkomen van appellant slechts op het door hem in 2002 genoten inkomen. Dat de Belastingdienst geen afstand heeft genomen van de door hem aangeleverde gegevens, wordt bevestigd door de door het Uwv ingewonnen informatie bij deze dienst, gevoegd bij zijn in rubriek I vermelde brief van

11 april 2008.

6.2. Met betrekking tot appellants verdiensten bij [naam werkgever 3] blijkt uit de door appellant bij brief van 14 april 2008 overgelegde salarisspecificaties geenszins dat het Uwv van onjuiste gegevens is uitgegaan. Zo vermeldt één van deze specificaties een bruto basissalaris van € 526,30, van welk salaris ook de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapport van 5 april 2005 is uitgegaan. De Raad wijst er hierbij ook op dat bij gelegenheid van de op 3 maart 2005 gehouden hoorzitting van de zijde van appellant is erkend dat het Uwv van juiste gegevens is uitgegaan.

6.3. Met betrekking tot appellants stelling dat het Uwv voor wat betreft de jaren 1999 tot en met 2001 zijn fictieve mate van arbeidsongeschiktheid had moeten berekenen per maand, waarbij appellant zich heeft beroepen op de uitspraak van de Raad van 15 oktober 2004 (RSV 2005/20), overweegt de Raad dat naar zijn oordeel het Uwv hiertoe niet was gehouden, reeds omdat inkomensgegevens per maand ontbreken. De Raad wijst hierbij ook op de rekening-courant verhouding die appellant had met [naam werkgever 1]. Voor appellants stelling is geen steun te vinden in de door hem genoemde uitspraak, nu deze uitspraak niet zover strekt dat onder alle omstandigheden een berekening per maand dient plaats te vinden.

6.4. Uit het hiervoor overwogene volgt dat het Uwv op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan artikel 44 van de WAO over de jaren 1999 tot en met 2002 en over de periode van 16 augustus 2003 tot 1 november 2003.

6.5. Met dit laatste is gegeven dat in deze perioden appellant naar te hoge bedragen uitkering heeft ontvangen. Op grond van artikel 57, eerste lid, van de WAO is het Uwv gehouden deze onverschuldigd betaalde bedragen van appellant terug te vorderen. Op grond van artikel 57, vierde lid, kan het Uwv hiervan geheel of gedeeltelijk afzien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

6.6. Anders dan door appellant is aangevoerd, acht de Raad geen dringende redenen als evenbedoeld aanwezig. De door hem gestelde omstandigheid dat hij ten gevolge van zijn arbeidsongeschiktheid niet in staat is het bedrag dat van hem wordt teruggevorderd, binnen redelijke termijn te betalen, is daarvoor onvoldoende.

7. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

8. Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2008.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

JL