Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BE9014

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-07-2008
Datum publicatie
25-08-2008
Zaaknummer
07/6420 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Verzet ongegrond: gronden van het hoger beroep zijn niet binnen de daartoe gestelde termijn ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6420 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 15 november 2007, 07/65 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinsituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 25 juli 2008

I. PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet van 22 februari 2008 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraak van de Raad heeft appellant verzet gedaan.

Het verzet is behandeld ter zitting van 13 juni 2008.

Appellant heeft zich daar laten vertegenwoordigen door W. Platvoet, werkzaam bij GIBO Groep te Etten-Leur. Het Uwv was niet vertegenwoordigd.

II. OVERWEGINGEN

1. De uitspraak van de Raad van 22 februari 2008 berust hierop, dat appellant de gronden van het hoger beroep niet binnen de daartoe gestelde termijn heeft ingediend.

2. Appellant heeft aangevoerd dat hij de gronden meer dan tien dagen voor de zitting van 22 februari 2008 heeft ingediend en dat hij voor deze zitting geen uitnodiging heeft ontvangen. Voorts heeft hij aangegeven er vanuit te zijn gegaan dat de genoemde termijn geen echte ‘deadline’ was omdat de datum waarvoor de gronden moesten worden ingediend niet in de brief van 2 januari 2008 was vermeld. Ten slotte heeft hij een beroep gedaan op de uitspraak van de Raad van 16 november 2000 (LJN AE8309).

3.1. De Raad is van oordeel dat hetgeen appellant heeft aangevoerd geen doel treft.

3.2. De Raad overweegt allereerst dat een uitspraak op grond van artikel 8:54 van de Awb, zoals de uitspraak van de Raad van 22 februari 2008, wordt gedaan zonder dat een zitting wordt gehouden. Er heeft dus geen zitting plaats gevonden en artikel 8:58 van de Awb, waarin is geregeld dat partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen, is niet van toepassing.

3.3. De stelling van appellant dat hij de in de brief van 2 januari 2008 genoemde termijn van vier weken niet als ‘deadline’ heeft opgevat kan de Raad niet volgen. In de brief is duidelijk vermeld dat de termijn vier weken bedraagt en dat de termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop deze brief is verzonden. De termijn is dus aangevangen op 3 januari 2008 en eindigde op 30 januari 2008. Bovendien is in de brief vermeld dat hij, indien hij de gronden niet binnen de gestelde termijn indient, er rekening mee moet houden dat het hoger beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Dat appellant die termijn toch niet heeft opgevat als een ‘deadline’ moet voor zijn rekening blijven.

3.4. Het beroep van appellant op de uitspraak van de Raad van 16 november 2000 slaagt evenmin omdat deze uitspraak betrekking heeft op een bezwaarschriftenprocedure en in dat geval onvoldoende is aangegeven welke consequenties aan het overschrijden van de gestelde termijn verbonden zijn. Zoals hiervoor onder 3.3 is aangegeven is in de brief van 2 januari 2008 duidelijk vermeld waar appellant rekening mee moet houden bij overschrijding van de termijn.

3.5. Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard.

4. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2008.

(get.) J. Janssen.

(get.) A. Wit.

BP