Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BE8904

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-08-2008
Datum publicatie
25-08-2008
Zaaknummer
07/3938 WW + 07/3939 WW + 07/3940 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering WW-uitkering. Verzoek om herziening. Geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3938 WW

07/3939 WW

07/3940 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 31 mei 2007, 06/1587, 06/2027 en 07/508 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 augustus 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld door I.T. Martens, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 13 juni 2008 heeft appellante stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2008. Namens appellante is verschenen I.T. Martens, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.G.M. Huijs, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Bij besluit van 9 februari 2005 heeft het Uwv aan appellante met ingang van 7 januari 2005 een WW-uitkering toegekend, berekend naar een arbeidsurenverlies van 40 uur per week. Naar aanleiding van een melding van mogelijke fraude door de voormalige werkgever van appellante heeft het Uwv een onderzoek doen instellen door een rapporteur van zijn directoraat Fraude, Preventie en Opsporing, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport werknemersfraude van 5 december 2005 en het proces-verbaal werknemersfraude van 12 december 2005. Daarin is geconcludeerd dat appellante in de werkloosheidsperiode van 7 januari 2005 tot en met 28 augustus 2005 als voorheen doch thans zogenaamd als zelfstandige werkzaamheden is blijven verrichten voor haar voormalige werkgever [naam voormalige werkgever] (hierna: [naam voormalige werkgever]), handelend onder de namen [werkgever 1] en [werkgever 2], en dat zij in die periode geen verlies aan arbeidsuren heeft gehad en dus geen recht kon doen gelden op een WW-uitkering. Nu appellante van deze werkzaamheden geen mededeling heeft gedaan aan het Uwv, is zij de op haar ingevolge artikel 25 van de WW rustende verplichting niet nagekomen.

2.2. Het Uwv heeft in deze conclusies aanleiding gezien bij besluit van 19 december 2005 de WW-uitkering van appellante met terugwerkende kracht over de periode van 7 januari 2005 tot en met 28 augustus 2005 in te trekken, op de grond dat zij in die periode geen verlies aan arbeidsuren heeft gehad en dus geen recht had op een WW-uitkering. Bij het besluit van 27 juli 2006 (bestreden besluit I) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 december 2005 ongegrond verklaard.

2.3. Bij besluit van 20 december 2005 heeft het Uwv de over de periode van 7 januari 2005 tot en met 28 augustus 2005 onverschuldigd aan appellante betaalde uitkering tot een brutobedrag van € 10.490,75 van haar teruggevorderd. Bij besluit van 17 juli 2006 heeft het Uwv met betrekking tot de invordering vastgesteld dat appellante maandelijks een bedrag van € 538,19 dient terug te betalen. Bij besluit van 18 oktober 2006 (bestreden besluit II) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 20 december 2005 en 17 juli 2006 ongegrond verklaard.

2.4. Bij besluit van 23 oktober 2006 heeft het Uwv geweigerd het besluit van 19 december 2005 te herzien, omdat de door appellante overgelegde verklaring d.d. 23 augustus 2006 van haar voormalige werkgever, inhoudende dat zij in het jaar 2005 gemiddeld 100 uur per maand heeft gewerkt, niet wordt gezien als een nieuw gebleken feit. Bij besluit op bezwaar van 23 april 2007 (bestreden besluit III) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 oktober 2006 ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen de besluiten I, II en III ongegrond verklaard. Met betrekking tot het bestreden besluit I is daartoe overwogen dat aan de conclusie van het Uwv dat appellante in de in geding zijnde periode in 2005 niet minder heeft gewerkt dan in de referteperiode, een uitgebreid onderzoek ten grondslag ligt dat een toereikende basis biedt voor de schatting van de omvang van de door appellante gewerkte uren. Gelet hierop heeft de rechtbank geoordeeld dat aan dit besluit geen zorgvuldigheidsgebrek kleeft, waardoor het Uwv in strijd zou hebben gehandeld met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft geconcludeerd dat appellante niet heeft voldaan aan de verplichting als bedoeld in artikel 25 van de WW en geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is geweest van een relevant urenverlies waardoor er geen sprake is geweest van werkloosheid in de periode van 7 januari 2005 tot en met 28 augustus 2005. Mitsdien heeft het Uwv terecht het besluit van 9 februari 2005, waarbij aan appellante een WW-uitkering is toegekend op basis van 40 verloren arbeidsuren per week, ingetrokken.

Met betrekking tot het bestreden besluit II heeft de rechtbank overwogen dat, gelet op het dwingendrechtelijk karakter van artikel 36 van de WW de onverschuldigd betaalde uitkering van appellante moet worden teruggevorderd en dat er geen dringende redenen aanwezig zijn die tot het afzien van een gehele of gedeeltelijke terugvordering dienen te leiden. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is gebleken dat het Uwv de aflossingscapaciteit van appellante op onjuiste wijze heeft vastgesteld.

Ten aanzien van het bestreden besluit III heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv terecht met toepassing van artikel 4:6 van de Awb het besluit van 19 december 2005 heeft gehandhaafd, omdat van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden geen sprake is. De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv onderschreven dat de schriftelijke verklaring van [naam voormalige werkgever] van 23 augustus 2006, inhoudende dat appellante in 2005 gemiddeld 100 uur per maand heeft gewerkt, dezelfde inhoud heeft als de verklaring die [naam voormalige werkgever] heeft afgelegd ten tijde van het onderzoek dat in november 2005 heeft plaatsgevonden.

4. Appellante heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden onder verwijzing naar de gronden die zij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. Zij stelt zich op het standpunt dat het Uwv onvoldoende onderzoek naar de relevante feiten en omstandigheden heeft verricht en dat aan de door haar overgelegde verklaring van [naam voormalige werkgever] d.d. 23 augustus 2006 ten onrechte niet die waarde is toegekend die daaraan toegekend had moeten worden.

5.1. In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel over de bestreden besluiten. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en hij overweegt daartoe als volgt.

5.2. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante in de periode van 7 januari 2005 tot en met 28 augustus 2005 werkzaamheden bij haar voormalige werkgever is blijven verrichten en dat zij daarvan geen melding heeft gemaakt op haar werkbriefjes of dit op andere wijze aan het Uwv heeft medegedeeld. Zoals ter zitting door partijen is bevestigd, spitst het geschil zich uitsluitend toe op de urenomvang van de door appellante verrichte werkzaamheden en de daarop gebaseerde hoogte van het teruggevorderde bedrag aan onverschuldigd betaalde WW-uitkering.

5.3. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat een herhaling van de gronden die zij reeds eerder in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht. Hetgeen de rechtbank dienaangaande heeft overwogen onderschrijft de Raad volledig. Naar aanleiding van hetgeen appellante in hoger beroep heeft gesteld, voegt de Raad daaraan nog het volgende toe.

5.4. De grief van appellante dat het Uwv onvoldoende onderzoek naar de relevante feiten en omstandigheden zou hebben verricht, verwerpt de Raad. Naar zijn oordeel beschikte het Uwv met de voorhanden gedingstukken en met name het genoemde rapport werknemersfraude en het proces-verbaal werknemersfraude, met de daarbij behorende getuigenverklaringen en bewijsstukken over voldoende gegevens om tot de conclusie te komen dat appellante in de in geding zijnde periode geen relevant arbeidsurenverlies heeft geleden en was verder onderzoek niet aangewezen. In de omstandigheid dat een wijziging in de arbeidsverhouding zou hebben plaatsgevonden omdat vanaf 7 januari 2005 een uitbetaling op basis van door appellante bij haar werkgever ingediende declaraties plaatsvond, ziet de Raad onvoldoende grond om tot een andersluidend oordeel te komen, nu daarbij geen urenspecificaties door appellante of haar werkgever konden worden overgelegd. De nadien door de werkgever afgelegde verklaring dat appellante in 2005 gemiddeld 100 uur per maand heeft gewerkt, kan evenmin tot een andersluidend oordeel leiden, nu ook deze verklaring niet met concrete gegevens en bewijsstukken is onderbouwd. Mitsdien kan hieraan niet die betekenis worden toegekend die appellante daaraan toegekend wenst te zien.

5.5. Gelet op het voorgaande is de Raad dan ook van oordeel dat het Uwv terecht het standpunt heeft ingenomen dat appellante vanaf 7 januari 2005 tot en met 28 augustus 2005 in dezelfde urenomvang als in de referteperiode werkzaamheden ten behoeve van haar voormalige werkgever heeft verricht, zodat in die periode geen sprake is geweest van werkloosheid als bedoeld in artikel 16 van de WW. Door hiervan geen mededeling te doen aan het Uwv is appellante de op haar ingevolge artikel 25 van de WW rustende verplichting niet nagekomen, hetgeen heeft geleid tot het ten onrechte verlenen van uitkering. De Raad komt evenals de rechtbank tot het oordeel dat het Uwv de WW-uitkering van appellante over de genoemde periode op grond van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW terecht heeft ingetrokken.

5.6. Nu de uitkering van appellante terecht is ingetrokken, heeft het Uwv, gezien artikel 36, eerste lid, van de WW, waarin is bepaald dat de uitkering die onder meer als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 22a van de WW onverschuldigd is betaald door het Uwv van de betrokken werknemer wordt teruggevorderd, terecht hetgeen onverschuldigd aan appellante is betaald over de periode van 7 januari 2005 tot en met 28 augustus 2005 van haar teruggevorderd. Nu appellante het terug te vorderen bedrag reeds in zijn geheel heeft voldaan, is de hoogte van het maandelijks terug te betalen bedrag -zoals ter zitting door appellante is bevestigd- geen punt van geschil meer.

5.7. Voorts is de Raad, evenals de rechtbank, van oordeel dat de door appellante overgelegde verklaring d.d. 23 augustus 2006 van haar voormalige werkgever geen nieuw feit of veranderde omstandigheid oplevert, die voor het Uwv aanleiding zou moeten zijn om het besluit van 19 december 2005 te herzien, nu de inhoud van deze verklaring overeenstemde met de gegevens die destijds reeds bij het Uwv bekend waren en bij de besluitvorming zijn meegewogen.

5.8. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en C.P.J. Goorden en B.W.N. de Waard als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.A. Reinders als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2008.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M.J.A. Reinders.

RH