Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BE8547

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-08-2008
Datum publicatie
19-08-2008
Zaaknummer
08-3838 WWB-VV + 07-4665 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Gezamelijke huishouding. Schending inlichtingenverplichting. Geen dringende redenen. Kortsluiting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3838 WWB-VV

07/4665 WWB

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in de artikelen 8:84, tweede lid, en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening van:

[Naam verzoekster], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoekster),

in verband met het hoger beroep van

verzoekster

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 22 juni 2007, 06/2270 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoekster

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Dronten (hierna: College).

Datum uitspraak: 12 augustus 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft mr. P.A.J. van Putten, advocaat te Dronten, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. Van Putten heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2008. Voor verzoekster is verschenen mr. Van Putten. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door J.F. Eelsing, werkzaam bij de gemeente Dronten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.2. Ingevolge artikel 8:86 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

1.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.2. Verzoekster ontvangt sinds 28 augustus 1996 bijstand naar de norm van een alleenstaande ouder, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Uit de relatie van verzoekster met de heer [J.] (hierna: [J.]) zijn twee kinderen geboren, [in] 1995 respectievelijk [in] 1998. Beide kinderen zijn erkend door [J.]. Verzoekster woont sinds 1996 op het adres [adres 1] te [woonplaats], aanvankelijk met [J.]. Op 20 augustus 1996 heeft [J.] zich laten uitschrijven van het adres [adres 1] te [woonplaats], en zich laten inschrijven op het adres [adres 2] te [woonplaats]. Naar aanleiding van een bij het College gerezen vermoeden van samenwoning heeft de Unit Regionale Sociale Recherche Zwolle e.o. een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan verzoekster verleende bijstand. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 21 maart 2006.

2.3. Op grond van de onderzoeksbevindingen heeft het College geconcludeerd dat verzoekster, zonder daarvan aan het College melding te maken, vanaf 28 augustus 1996 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [J.]. Het College heeft hierin aanleiding gezien om bij besluit van 10 april 2006 de bijstand van verzoekster met ingang van 1 februari 2006 in te trekken, van 28 augustus 1996 tot en met 31 januari 2006 te herzien (lees: in te trekken) en de over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 januari 2006 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 124.286,04 terug te vorderen. Bij besluit van 4 september 2006 heeft het College het terug te vorderen bedrag gewijzigd in € 116.001,14.

2.4. Bij besluit van 11 september 2006 heeft het College het bezwaar tegen het (voor wat betreft het terug te vorderen bedrag bij besluit van 4 september 2006 gewijzigde) besluit van 10 april 2006 ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent het griffierecht en de proceskosten - het beroep tegen het besluit van 11 september 2006 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De rechtbank heeft vastgesteld dat verzoekster (tijdens de bezwaarfase) en het College (bij de besluitvorming in bezwaar) niet de beschikking hadden over de ondertekende versie van de processen-verbaal van verhoor van verzoekster, [J.], de ouders van [J.] en getuigen. De rechtbank heeft bepaald dat het besluit van 11 september 2006 daarom wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt. Gelet op het feit dat het College de authentieke processen-verbaal in beroep alsnog in geding heeft gebracht en de rechtbank zich heeft kunnen verenigen met het inhoudelijke standpunt van het College, heeft zij aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het besluit van 11 september 2006 in stand te laten.

4. Verzoekster heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover de rechtbank daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van 11 september 2006 in stand heeft gelaten.

5.1. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

5.2. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 11 september 2006 niet in stand heeft mogen laten, reeds omdat het College in het kader van het als gevolg van de vernietiging te nemen nieuwe besluit beleidsvrijheid en beoordelingsvrijheid toekomt. De voorzieningenrechter volgt dat standpunt niet. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat de rechtbank, na de vernietiging van het besluit van 11 september 2006 wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb, op basis van de (inmiddels) voorhanden gegevens zich een oordeel heeft kunnen vormen over het standpunt van het College dat sprake was van een gezamenlijke huishouding en tevens heeft kunnen beoordelen of het College in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot intrekking en terugvordering.

5.3. De voorzieningenrechter stelt vast dat het College de intrekking van de bijstand ingaande 1 februari 2006 niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit, te weten de periode van 1 februari 2006 tot en met 10 april 2006. Nu het College de bijstand tevens over de periode 28 augustus 1996 tot en met 31 januari 2006 heeft ingetrokken, dient de voorzieningenrechter de periode van 28 augustus 1996 tot en met 10 april 2006 te beoordelen.

5.4. Aangezien uit de relatie tussen verzoekster en [J.] twee kinderen zijn geboren is, gelet op (het tot 1 januari 2004 van toepassing zijnde) artikel 3, derde en vierde lid van de Algemene bijstandswet (Abw) en (het per 1 januari 2004 van toepassing zijnde) artikel 3, derde en vierde lid, van de WWB, voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding in dit geding bepalend het antwoord op de vraag of [J.] in de periode vanaf 28 augustus 1996 zijn hoofdverblijf heeft gehad - en op 10 april 2006 nog had - in de woning van verzoekster. Deze vraag dient te worden beantwoord aan de hand van objectief vast te stellen feiten en omstandigheden.

5.5. Volgens informatie uit het bevolkingsregister hebben verzoekster en [J.] (met hun twee kinderen) tot en met 19 augustus 1996 ingeschreven gestaan op het adres [adres 1] te [woonplaats], en heeft [J.] zich vanaf die datum laten inschrijven op het adres van zijn ouders, [adres 2] te [woonplaats]. Het aanhouden van afzonderlijke woonadressen hoeft echter niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts één van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

5.6. De voorzieningenrechter is met de rechtbank van oordeel dat de onderzoeksbevindingen van de sociale recherche voldoende aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat verzoekster en [J.] in de periode van 28 augustus 1996 tot en met

10 april 2006 hun hoofdverblijf hebben gehad in de woning van verzoekster aan de [adres 1] te [woonplaats]. De voorzieningenrechter heeft daarbij in het bijzonder acht geslagen op de inhoud van de door verzoekster en [J.] ten overstaan van de sociale recherche afgelegde en vervolgens (zonder voorbehoud) ondertekende verklaringen. Uit deze stellige en eenduidige verklaringen blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter genoegzaam dat verzoekster en [J.] na 27 augustus 1996 zijn blijven samenwonen en dat zij uit financiële overwegingen gekozen hebben voor een constructie waarbij [J.] zich heeft laten inschrijven op het adres van zijn ouders. Dat deze verklaringen onder ontoelaatbare druk zijn afgelegd, onjuist zijn of om een andere reden buiten beschouwing moeten blijven, heeft verzoekster niet aannemelijk gemaakt. De voorzieningenrechter voegt daar nog aan toe dat de verklaringen van verzoekster en [J.] steun vinden in de verklaring van de vader van [J.] en (in ieder geval voor zover het betreft de periode vanaf 1999) in de verklaring van de moeder van [J.]. De voorzieningenrechter is voorts met de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat bij eerdere onderzoeken geoordeeld is dat onvoldoende aanwijzingen bestonden voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding niet betekent dat op een later moment niet meer kan worden aangetoond dat daarvan toch sprake was.

5.7. Nu verzoekster en [J.] naar het oordeel van de voorzieningenrechter gedurende de gehele periode in geding een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, had verzoekster als gehuwd moeten worden aangemerkt. Zij kon om die reden niet worden beschouwd als zelfstandig subject van bijstand. Door van een en ander geen melding te maken aan het College heeft verzoekster in strijd gehandeld met de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw respectievelijk artikel 17, eerste lid, van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting. Het betoog van verzoekster dat zij met de op het inlichtingenformulier van 10 juli 2000 geplaatste verwijzing naar de brief van 30 juni 2000 van de moeder van [J.] het College volledig inzicht heeft gegeven in haar (gewijzigde) gezinssituatie volgt de voorzieningenrechter niet. Uit deze brief kan niet anders worden afgeleid dan dat [J.] - in verband met het feit dat verzoekster werd bedreigd - tijdelijk bij verzoekster zou verblijven.

5.8. Als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting is verzoekster over de periode van 28 augustus 1996 tot en met 10 april 2006 ten onrechte bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder verleend. Gelet op het vorenstaande was het College bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB tot intrekking van de bijstand over de periode van 28 augustus 1996 tot en met 31 januari 2006 en met ingang van 1 februari 2006 over te gaan. Het College hanteert het beleid dat van de bevoegdheid tot intrekking wordt gebruik gemaakt en dat daarvan slechts kan worden afgezien op grond van dringende redenen. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen gaat dit beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat het College in overeenstemming met dit ten tijde van het besluit van 11 september 2006 gehanteerde beleid heeft gehandeld. In hetgeen verzoekster heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, van het beleid had moeten afwijken.

5.9. Uit het vorenstaande vloeit tevens voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was om de ten behoeve van verzoekster gemaakte kosten van bijstand ten bedrage van € 116.001,14 over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 januari 2006 terug te vorderen. Het College hanteert het beleid dat van de bevoegdheid tot terugvordering wordt gebruik gemaakt en dat daarvan slechts wordt afgezien bij zogeheten kruimelbedragen en indien zich dringende redenen voordoen. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen gaat dit beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat het College ten gunste van verzoekster van dit ten tijde van het besluit van 11 september 2006 gehanteerde beleid is afgeweken door bij de vaststelling van de hoogte van het terug te vorderen bedrag ermee rekening te houden dat verzoekster en [J.] van 23 juni 2003 tot en met 8 augustus 2004 beiden bijstand ontvingen naar de norm van een alleenstaande, terwijl zij recht hadden op bijstand naar de norm voor gehuwden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan niet worden gezegd dat het College niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen.

5.10. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover door verzoekster aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5.11. Dat brengt mee dat er voor het treffen van een voorlopige voorziening geen grond is, zodat het verzoek daartoe moet worden afgewezen.

5.12. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2008.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) C. de Blaeij.

IJ