Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BE2717

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-08-2008
Datum publicatie
15-08-2008
Zaaknummer
07-3107 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsverplichtingen. Het verzuim vond plaats binnen het kader van een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling en had tot gevolg dat het ingezette traject geen doorgang vond. Geen opschorting van bijstand, maar maatregel.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 54
Wet werk en bijstand 18
Wet werk en bijstand 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3107 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 11 mei 2007, 06/2570 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere (hierna: College).

Datum uitspraak: 14 augustus 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2008. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. van der Moore, werkzaam bij de gemeente Almere.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.2. Appellante ontvangt sedert 22 november 2004 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Aan haar is de verplichting opgelegd gebruik te maken van een door het College, via het Centrum voor Informatie en Loopbaan Advies Almere (hierna: CILA), aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Bij brief van 5 september 2006 is appellante uitgenodigd voor een gesprek op 14 september 2006 om onder meer de voortgang van het door CILA gestarte traject te bespreken. Omdat appellante geen gehoor gaf aan deze oproep is bij besluit van 14 september 2006 het recht op bijstand van appellante met ingang van diezelfde datum opgeschort. Daarbij is haar alsnog de gelegenheid geboden om op 27 september 2006 voor een gesprek op de sociale dienst te komen. Op 14 september 2006 is bij het College een brief van appellante ingekomen waarbij zij de gemaakte afspraak voor die dag annuleert. In reactie daarop heeft het College op 18 september 2006 nogmaals een brief aan appellante gezonden met dezelfde inhoud en strekking als het besluit van 14 september 2006.

1.3. Bij besluit van 18 oktober 2006 heeft het College het tegen het besluit van 14 september 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 18 oktober 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Zoals in eerdere uitspraken van de Raad al is overwogen (zie onder meer de uitspraken van 30 januari 2007, LJN AZ8403 en van 8 januari 2008, LJN BC2387) komt aan de term “anderszins (…) medewerking verlenen” geen ruimere strekking toe dan de in artikel 17, tweede lid, van de WWB neergelegde medewerkingsverplichting. De Raad is voorts van oordeel dat in gevallen als de onderhavige, waarin de gegevensverstrekking en verlangde medewerking niet zien op een (totale) herbeoordeling van het recht op bijstand, maar plaatsvinden in het kader van - kort gezegd - de arbeidsinschakelings- of re-integratieplicht als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB, artikel 54, eerste lid, van de WWB toepassing mist. Bij verwijtbare niet-nakoming van deze van rechtswege geldende verplichtingen is het College gehouden de bijstand te verlagen.

4.2. Het uit de stukken blijkende en ter zitting toegelichte verzuim van appellante vond naar het oordeel van de Raad plaats binnen het kader van een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling en had tot gevolg dat het ingezette traject geen doorgang vond. Deze gedraging valt niet onder de termen van artikel 54, eerste lid, van de WWB, zodat het College niet bevoegd was het recht op bijstand van appellante op te schorten. Het besluit van 18 oktober 2006 kan om die reden geen standhouden. Daarentegen is wel sprake van een maatregelwaardige gedraging op grond waarvan het College met inachtneming van artikel 18 van de WWB in verbinding met hetgeen daaromtrent in de verordening als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB is bepaald, gehouden is een verlaging op de bijstand toe te passen.

4.3. De rechtbank heeft een en ander niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren, het besluit van 18 oktober 2006 vernietigen en het College opdragen, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

4.4. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding nu niet van voor vergoeding in aanmerking komende kosten is gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 18 oktober 2006;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Bepaalt dat de gemeente Almere het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 144,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en R.H.M. Roelofs als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2008.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

IJ