Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BE0084

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-08-2008
Datum publicatie
15-08-2008
Zaaknummer
06-7300 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. De Raad stelt vast dat de nader in bezwaar geduide functies wat betreft benaming en omschrijving van de werkzaamheden niet met enige evidentie doen uitkomen dat zij soortgelijk zijn aan de primair geduide functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/7300 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 13 november 2006, 06/504 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 augustus 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, onder bijvoeging van rapportages van een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige. Bij brief van 9 juli 2007 heeft het Uwv een nader rapport van een bezwaararbeidsdeskundige van 4 juli 2007 ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. F. Reith, werkzaam bij de CNV Dienstenbond. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.S. van ’t Oor.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 23 mei 2005 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 25 juli 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

2. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 14 februari 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 25 juli 2005 vastgesteld op 55 tot 65%.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat het Uwv de medische beperkingen van appellante juist heeft vastgesteld en terecht geen urenbeperking noodzakelijk heeft geacht. Voorts heeft de rechtbank overwogen - kort weergegeven - dat het Uwv bij het bestreden besluit geen nieuwe aanzegtermijn in aanmerking heeft hoeven nemen, omdat de aan dit besluit ten grondslag gelegde functies vergelijkbaar zijn met de aan het besluit van 23 mei 2005 ten grondslag gelegde functies en appellante zich sinds het besluit van 23 mei 2005 reeds heeft kunnen instellen op de verandering in haar uitkeringssituatie.

4. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd - kort weergegeven - dat onvoldoende rekening is gehouden met de beperkingen ten gevolge van de verbrijzeling van haar linker onderarm in 1987, een urenbeperking voor haar noodzakelijk is, aan het bestreden besluit nieuw geduide functies ten grondslag zijn gelegd zonder een uitlooptermijn in aanmerking te nemen en twee geduide functies in verband met de aspecten ‘koude’ respectievelijk ‘tillen’ niet geschikt voor haar zijn.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. De Raad kan hetgeen de rechtbank heeft overwogen over de medische grondslag van het bestreden besluit onderschrijven. Appellante heeft, ook in hoger beroep, geen medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat zij zodanige beperkingen ondervindt bij het gebruik van haar linker arm dat het Uwv haar ten onrechte niet ook op dat aspect beperkt heeft geacht. Ten aanzien van de urenbeperking overweegt de Raad dat de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv in de zogenaamde functionele mogelijkhedenlijst (FML) heeft opgenomen dat appellante één dagdeel per week niet beschikbaar is vanwege een door haar te volgen therapie. Bij de schatting heeft (de arbeidsdeskundige van) het Uwv daarmee rekening gehouden. Een verdergaande urenbeperking heeft de bezwaarverzekeringsarts, ook na kennisneming van recente informatie uit de behandelend sector, niet noodzakelijk geacht. De Raad stelt vast dat appellante, ook in hoger beroep, geen medische informatie in geding heeft gebracht waaruit volgt dat zij, rekening houdend met de (overige) vastgestelde beperkingen, meer beperkt is te achten in het aantal per dag of per week te werken uren.

5.2. Uitgaande van de juistheid van de bij appellante vastgestelde beperkingen ziet de Raad de grieven van appellante over de geschiktheid van twee van de geduide functies in verband met de aspecten ‘koude’ en ‘tillen’, die direct samenhangen met het gebruik van haar linker arm, falen. Zo zou moeten worden aangenomen dat appellante, naar zij stelt, bij koude last ondervindt van haar linker onderarm is daarmee objectief medisch nog niet gegeven dat zij daardoor beperkt is bij het verrichten van arbeid.

5.3. Mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van appellante in de haar voor-gehouden functies, zoals die door het door het Uwv gehanteerde Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) zijn gesignaleerd, zijn door het Uwv eerst in hoger beroep van een nadere toelichting voorzien. Om die reden heeft het Uwv ter zitting geconcludeerd dat het bestreden besluit geen stand kan houden. Het Uwv heeft de Raad verzocht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand te laten. Met het Uwv is de Raad van oordeel dat de aan appellante voorgehouden functies eerst in hoger beroep van een toereikende toelichting zijn voorzien. Het bestreden besluit kan dan ook geen stand houden en zal wegens schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dienen te worden vernietigd. De Raad zal de rechtsgevolgen van het bestreden besluit evenwel niet in stand laten om de hier onder aan te geven reden.

5.4. Ten aanzien van hetgeen appellante heeft gesteld over de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies, die afwijken van de aan het besluit van 23 mei 2005 ten grondslag gelegde functies, overweegt de Raad als volgt.

5.5. Aan het besluit van 23 mei 2005 heeft het Uwv blijkens het rapport van de arbeids-deskundige van 17 mei 2005 en de arbeidsmogelijkhedenlijst de volgende, aan appellante voorgehouden, functies ten grondslag gelegd: machinaal houtbewerker (sbc-code 262130), productiemedewerker hout en bouw (sbc-code 111173), inpakker (sbc-code 111190), productiemedewerker industrie (sbc-code 111180), productiemedewerker metaal en electro-industrie (sbc-code 111171). De drie eerst genoemde functies zijn door het Uwv als hoogst verlonende functies gehanteerd bij het bepalen van de resterende verdiencapaciteit van appellante.

5.6. Aan het bestreden besluit heeft het Uwv blijkens het rapport van de bezwaar-arbeidsdeskundige van 13 februari 2006 en de arbeidsmogelijkhedenlijst de volgende functies ten grondslag gelegd: productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie (sbc-code 111172), magazijn-,expeditiemedewerker (sbc-code 111220), vleeswarenmaker, slachter en visverwerker (sbc-code 271070), productiemedewerker industrie (sbc-code 111180), machinebediende voedingsmiddelenindustrie (sbc-code 271091), inpakker (sbc-code 111190). De drie eerst genoemde functies zijn door het Uwv als hoogst verlonende functies gehanteerd bij het bepalen van de resterende verdiencapaciteit van appellante. Blijkens het evengenoemde rapport van de bezwaararbeidsdeskundige heeft het Uwv bij deze functies overwogen: “Bovenstaande functievoorbeelden betreffen net als de primair geduide functies allen eenvoudige productiefuncties. De SBC-codenummers komen deels geheel en deels gedeeltelijk overeen met de primair geduide SBC-codes. Het zijn dus dezelfde soort functievoorbeelden als welke primair zijn geduid.”

5.7. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat dit standpunt van het Uwv niet kan worden gevolgd. Bij herziening of intrekking van een eerder toegekende uitkering kan de opgestelde lijst van gangbare functies die de betrokkene met inachtneming van zijn beperkingen nog zou kunnen verrichten in bezwaar of beroep worden gewijzigd, mits het voor de betrokkene ten tijde van de aanzegging van de intrekkings- of herzienings-beslissing duidelijk had kunnen zijn dat hij ook voor die later aanvullend geduide functies geschikt was. De Raad stelt vast dat de nader in bezwaar geduide functies wat betreft benaming en omschrijving van de werkzaamheden niet met enige evidentie doen uitkomen dat zij soortgelijk zijn aan de primair geduide functies. De loutere stelling dat alle functies eenvoudige productiefuncties betreft acht de Raad te vaag om de functies als soortgelijk te kunnen aanmerken. Het bestreden besluit komt mitsdien ook om die reden, wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb, voor vernietiging in aanmerking.

6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 143,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bolt en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2008.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.D.F. de Moor.

BP