Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BE0064

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-08-2008
Datum publicatie
14-08-2008
Zaaknummer
06-5966 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ziekmelding vanuit WW-uitkering. Weigering (verdere) ZW-uitkering. Medische herbeoordeling is zorgvuldig. Niet (langer) ongeschikt voor haar arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5966 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 augustus 2006, 06/1539 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 augustus 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.A. Ray, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2008. Namens appellante is verschenen mr. R.F. van Leeuwen, kantoorgenoot van mr. Ray. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft laatstelijk gewerkt als gastvrouw/serveerster via een uitzendbureau. Op 12 september 1997 heeft appellante zich ziek gemeld in verband met psychische klachten. Na afloop van de wachttijd van 52 weken heeft het Uwv aan appellante een uitkering ingevolge de wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit op bezwaar van 16 januari 2004 heeft het Uwv het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering per 11 december 2003 gehandhaafd. Aan dit besluit lag ten grondslag dat appellante in staat was om de functies van machinaal metaalbewerker (sbc-code 264122), productiemedewerker industrie (sbc-code 111180) en machine bediende (sbc-code 271092) te vervullen. De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 4 januari 2005 het beroep van appellante tegen voormeld besluit ongegrond verklaard.

1.2. Op 1 september 2005 heeft appellante zich, vanuit een situatie dat zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, ziek gemeld vanwege psychische klachten en gewrichtsklachten. Op 20 december 2005 heeft de verzekeringsarts R.S. Biemond-Phaff appellante onderzocht en is daarbij tot de conclusie gekomen dat appellante met ingang van 23 januari 2006 geschikt is voor een geduide functie zoals productiemedewerker industrie, welke destijds in het kader van de WAO is geselecteerd. Bij besluit van 16 januari 2006 heeft het Uwv per 23 januari 2006 (verdere) uitkering van ziekengeld geweigerd. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 2 maart 2006 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij mondelinge uitspraak ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de medische herbeoordeling onvoldoende zorgvuldig is geweest. Zij is niet specifiek onderzocht op haar klachten van depressiviteit, slapeloosheid, stress en gewrichtsproblemen/ziekte van Wegener. Ze slikt een grote hoeveelheid medicijnen. Daarbij komt nog dat haar zoontje lijdt aan ADHD en dat bij haar vader uitzaaiingen van kanker geconstateerd zijn. Voorts stelt appellante dat zij slechts in een half uur beoordeeld is, zonder dat naar haar is geluisterd. Appellante is van mening dat haar klachten nu meer divers zijn dan voorheen. Er zijn niet alleen psychische problemen. Ze heeft steeds aangevoerd dat zij ook gewrichtsklachten heeft. Nu de medische beoordelingen niet naar behoren zijn verricht, verzoekt appellante de Raad een onafhankelijke arts te benoemen.

Ter ondersteuning van haar standpunt heeft appellante een medisch journaal van de huisarts en een verklaring van een fysiotherapeut overgelegd.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde voorzover hier van belang bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige inzoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximum-termijn ziekengeld te hebben ontvangen blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op uitkering ingevolge de WAO.

Het vorenstaande betekent dat terzake van het ziektegeval van 1 september 2005 als maatstaf dient te worden aangelegd de arbeid verbonden aan de functies die voor appellante in het kader van de WAO in 2003 als geschikt werden aangemerkt. Inmiddels heeft de Raad al meerdere malen uitgesproken dat van ongeschiktheid in de zin van de ZW geen sprake is indien de verzekerde geschikt is voor tenminste één van de functies die zijn geselecteerd bij de schatting in het kader van de WAO.

4.2. De Raad is van oordeel dat het bestreden besluit berust op een zorgvuldige medische beoordeling. Appellante is na haar ziekmelding op het spreekuur van de verzekeringsarts Biemond-Phaff op 20 december 2005 onderzocht. Bij onderzoek van de psyche heeft de verzekeringsarts geen depressieve symptomen en geen symptomen van angst geconstateerd. Bij lichamelijk onderzoek heeft de verzekeringsarts geen objectiveerbare afwijkingen van de gewrichten gevonden. Uit de anamnese blijkt overigens dat appellante voor deze klachten niet bij de huisarts is geweest. De bezwaarverzekeringsarts

J.C. Weegink is op basis van dossieronderzoek en observatie tijdens de hoorzitting tot de conclusie gekomen dat er geen medische argumenten zijn om af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts. De bezwaarverzekeringsarts heeft daarbij overwogen dat de problemen van appellante, die samenhangen met de ziekte van haar zoontje en vader, niet geïnterpreteerd kunnen worden als beperkingen die rechtstreeks het gevolg zijn van een bij haar aanwezige gezondheidsaandoening. Met betrekking tot de ziekte van Wegener merkt de Raad op dat de gemachtigde van appellante ter zitting heeft erkend dat het mogelijk bestaan van de ziekte nog steeds niet is vastgesteld.

4.3. De Raad ziet in de door appellante in hoger beroep ingebrachte medische informatie van de huisarts en de fysiotherapeut geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsartsen. De bezwaarverzekeringsarts Weegink heeft in zijn rapportages van 9 januari 2007 en

24 juni 2008 met betrekking tot die informatie voldoende gemotiveerd aangegeven waarom hij hierin geen aanleiding ziet om af te wijken van zijn standpunt. Daarbij merkt de Raad op dat bedoelde informatie niet ziet op de datum hier in geding, te weten 23 januari 2006. Voor een onderzoek door een onafhankelijke medisch deskundige, zoals door appellante is verzocht, ziet de Raad dan ook geen grond.

4.4. Gelet op hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen heeft het Uwv zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante met ingang van 23 januari 2006 niet (langer) ongeschikt was voor haar arbeid. Hieruit volgt dat appellante terecht een (verdere) uitkering ingevolge de ZW is geweigerd.

4.5. De Raad concludeert dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2008.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

CB