Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BE0038

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-08-2008
Datum publicatie
14-08-2008
Zaaknummer
07-4535 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De in hoger beroep overgelegde takenlijst is weliswaar meer uitgebreid dan de beschrijving van de bezwaararbeidsdeskundige, maar de beschreven taken wijken in essentie niet af van de beschrijving van de werkzaamheden verbonden aan de functie van conciërge.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4535 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 juli 2007, 06/5134 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 augustus 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.E.J. Vleesenbeek, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2008. Namens appellant is verschenen mr. R. Haze. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, tot 31 augustus 2005 werkzaam als conciërge op een school voor volwasseneneducatie, heeft zich per 1 september 2005 ziek gemeld met paniekaanvallen en hartkloppingen. Ter zake van deze ziekmelding heeft appellant de spreekuren van verzekeringsarts M. Maarsen van 20 januari 2006 en 8 februari 2006 bezocht. Na het laatste spreekuur heeft de verzekeringsarts appellant per 13 februari 2006 hersteld verklaard voor zijn eigen werk.

1.2. Bij besluit van 8 februari 2006 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij op en na 13 februari 2006 niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid en derhalve met ingang van 13 februari 2006 geen recht meer heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW).

1.3. Het tegen het besluit van 8 februari 2006 gerichte bezwaar van appellant is door het Uwv na een heroverweging door bezwaarverzekeringsarts J.C. Weegink – waarbij ook de ontvangen informatie van de behandelend psycholoog J. Derrix van 13 april 2005, 16 augustus 2005 en 15 november 2005 is meegewogen – bij besluit van 20 maart 2006 ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft bij uitspraak van 27 september 2006 het beroep van appellant tegen het besluit van 20 maart 2006 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepalingen gegeven omtrent vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv niet afdoende heeft kunnen motiveren waarom niet de functie van conciërge bij een soortgelijke werkgever als te beoordelen arbeid is aangenomen, nu het dienstverband van appellant met zijn werkgever was verbroken ten tijde van de ziekmelding.

2.2. Partijen hebben tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld.

2.3. Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 27 september 2006 heeft het Uwv besluit van 17 november 2006 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van appellant – onder verwijzing naar de rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige van 24 oktober 2006 en de bezwaarverzekeringsarts van 14 november 2006 – ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank met name betekenis toegekend aan de bevindingen van de betrokken bezwaararbeidsdeskundige.

4. In hoger beroep heeft appellant, onder meer, aangevoerd dat de door de bezwaar-arbeidsdeskundige opgestelde beschrijving van de functie van conciërge niet juist is. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant een “Takenlijst banenpooler de Batavier” van november 1999 overgelegd.

5. In het onderhavige geding staat ter beoordeling of het Uwv bij het bestreden besluit op een juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 27 september 2006.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. De bezwaararbeidsdeskundige F. Oudmaijer heeft naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 27 september 2006 op 24 oktober 2006 rapport uitgebracht. Zoals in dit rapport is aangegeven heeft hij de belasting in de functie van conciërge aan een grote scholengemeenschap afdeling volwasseneneducatie beschreven en deze belasting beoordeeld in het licht van de door de (bezwaar)verzekeringsarts vastgestelde belastbaar-heid van appellant. Oudmaijer is tot de conclusie gekomen dat de normale functie van conciërge ruimschoots binnen de aangegeven belastbaarheid van appellant valt. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de bezwaararbeidsdeskundige met bovengenoemd rapport genoegzaam heeft gemotiveerd waarom appellant in staat moet worden geacht de functie van conciërge aan een grote scholengemeenschap afdeling volwasseneneducatie te verrichten. Ten aanzien van de in hoger beroep overgelegde takenlijst is de Raad van oordeel dat deze lijst weliswaar meer uitgebreid is dan de beschrijving van de bezwaar-arbeidsdeskundige, maar dat de beschreven taken in essentie niet afwijken van de beschrijving van de werkzaamheden verbonden aan de functie van conciërge door Oudmaijer. In hetgeen appellant overigens in hoger beroep heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding voor een andersluidend oordeel.

5.3. Naar het oordeel van de Raad volgt uit hetgeen onder 5.2. is overwogen dat het Uwv met het bestreden besluit op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de aangevallen uitspraak.

6. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

BP