Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BE0027

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-04-2008
Datum publicatie
14-08-2008
Zaaknummer
08-1564 AW-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Niet verlenging van tijdelijke aanstelling: niet voldaan aan de functie-eisen. Afwijzing voorlopige voorziening. Werkkring is niet vereist voor het vervolgen van de opleiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/1564 AW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

[Naam verzoekster], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoekster),

in verband met het hoger beroep van:

verzoekster

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen van 29 januari 2008, 07/2018 en 08/72 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoekster

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Oude IJsselstreek (hierna: college)

Datum uitspraak: 14 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Verzoekster heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2008, waar verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr. S.E. de Jong, werkzaam bij de Stichting Univé Rechtshulp. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. Jansen en

H.H. Luggenhorst-Schutte, beiden werkzaam bij de gemeente Oude IJsselstreek.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 6 oktober 2006 is verzoekster met ingang van 20 september 2006 voor 19 uur per week benoemd in de functie van medewerker [naam functie] bij de gemeente Oude IJsselstreek. Het betrof een tijdelijke benoeming voor de periode van één jaar bij wijze van proef. Op 21 december 2006 en 5 april 2007 hebben functioneringsgesprekken plaatsgevonden met verzoeksters toenmalige leidinggevende. Op 15 juni 2007 is verzoekster door haar nieuwe leidinggevende uitgenodigd voor een gesprek op maandag 18 juni 2007, waarbij gesproken zou worden over een (nieuwe) werkverdeling binnen de [naam functie] en over het functioneren van verzoekster. Verzoekster heeft zich op 18 juni 2007 ziek gemeld. Uiteindelijk heeft er op 16 juli 2007 een gesprek met verzoekster, vergezeld door haar echtgenoot, plaatsgevonden, waarin haar onder meer te kennen is gegeven dat haar tijdelijk dienstverband niet wordt verlengd.

1.2. Bij besluit van 23 juli 2007 is verzoekster medegedeeld dat haar tijdelijke benoeming per 20 september 2007 niet wordt verlengd wegens het niet voldoen aan de functie-eisen. Bij het bestreden besluit van 19 december 2007 is het bezwaar van verzoekster tegen dat besluit ongegrond verklaard.

2.1. De voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen (hierna: rechtbank) heeft het daartegen ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ongegrond verklaard en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat van een volledige functievervulling door verzoekster medio 2007 nog geen sprake was en dat van het college, gelet op de reactie van verzoekster op de uitnodiging voor het gesprek op 18 juni 2007 en haar afwezigheid nadien, niet kon worden gevergd het tijdelijk dienstverband te verlengen teneinde verzoekster de kans te bieden haar functioneren te verbeteren.

2.2. Verzoekster heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld en de voorzieningenrechter van de Raad verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Daarbij heeft verzoekster aangevoerd een spoedeisend belang te hebben, omdat zij haar werkzaamheden wil hervatten. Tevens wil zij de op kosten van de gemeente gestarte opleiding tot managers assistent afmaken, hetgeen niet mogelijk zou zijn zonder het hebben van een bijpassende baan.

3. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

3.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3.2. In hetgeen verzoekster heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter voldoende spoedeisend belang. De voorzieningenrechter zal derhalve antwoord moeten geven op de vraag of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven. Het hier op die vraag te geven antwoord draagt een voorlopig karakter en is niet bindend voor de uitspraak in de hoofdzaak.

3.3. Zoals de rechtbank ook heeft overwogen is naar vaste jurisprudentie de rechterlijke toets bij het niet verlengen van een tijdelijke aanstelling gelegen in de beantwoording van de vraag of het betrokken bestuursorgaan in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de betrokken ambtenaar niet heeft voldaan aan in redelijkheid te stellen eisen en/of verwachtingen.

3.4. De voorzieningenrechter volgt de rechtbank in haar oordeel dat van een volledige functievervulling van verzoekster medio 2007 nog geen sprake was en dat het gesprek op 18 juni 2007 mede tot doel had dit aspect aan de orde te stellen. Volgens het college was het de bedoeling verzoekster mede te delen dat bij gelijkblijvend functioneren de aanstelling beëindigd zou worden, maar dat zij de resterende drie maanden de tijd had zich te bewijzen. Dit gesprek kon echter geen doorgang vinden, omdat verzoekster zich die dag ziek meldde. Door verzoekster is niet bestreden dat die ziekmelding verband hield met de werksituatie.

3.5. Ook het oordeel van de rechtbank dat verzoekster zich na haar ziekmelding afhoudend heeft opgesteld kan de voorzieningenrechter volgen. In de thans beschikbare gegevens zijn aanwijzingen dat telefonisch contact met verzoekster moeilijk was en verzoekster zelf heeft in haar brief van 29 juni 2007 aan de gemeente te kennen gegeven daaraan ook geen behoefte te hebben.

3.6. Door het college is voorts onweersproken gesteld dat bepaalde taken van de functie van verzoekster stressbestendigheid en assertiviteit van de betrokkene vragen. Dit in aanmerking genomen en afgezet tegen verzoeksters handelwijze na de uitnodiging voor het gesprek op 18 juni 2007 en haar opstelling tijdens het gesprek van 16 juli 2007, zoals blijkt uit het daarvan opgemaakte verslag, kon het college in redelijkheid tot het oordeel komen dat verzoekster niet voldeed, en ook niet binnen afzienbare tijd zou kunnen gaan voldoen, aan in redelijkheid te stellen eisen. Om die reden behoefde het college verzoekster op 16 juli 2007 niet alsnog de mogelijkheid bieden haar functioneren te verbeteren.

3.7. Ten aanzien van de (on)mogelijkheid voor verzoekster om haar opleiding te voltooien, is door het college aangevoerd dat, anders dan door verzoekster is gesteld, daarvoor niet noodzakelijk is dat zij een werkkring heeft. Volgens een overgelegd e-mailbericht van het opleidingsinstituut aan het college zou het ook mogelijk zijn praktijkopdrachten te simuleren. Ter zitting is door het college toegezegd verzoekster daarbij behulpzaam te zullen zijn. Het treffen van een voorlopige voorziening om verzoekster in staat te stellen haar opleiding af te maken, is derhalve niet noodzakelijk.

4. Gelet op het vorenstaande acht de voorzieningenrechter het niet in redelijke mate waarschijnlijk dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven. Het verzoek om een voorlopige voorziening komt derhalve niet voor inwilliging in aanmerking.

5. De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 april 2008.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) M. van Berlo.

JvS