Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BE0017

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-07-2008
Datum publicatie
15-08-2008
Zaaknummer
06-6037 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering wegens geschiktheid voor het eigen werk. Primair medische onderzoek is verricht door (nog) niet als verzekeringsarts geregistreerd arts. In bezwaarfase hersteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6037 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 september 2006, 03/4385 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 juli 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. Wolter, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2008. Namens appellante is verschenen mr. Wolter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.P. Prinsen.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante was werkzaam als beveiligingsbeambte voor 40 uur per week. Op 28 juni 2001 is zij uitgevallen met rugklachten als gevolg van zwangerschap. Op 20 december 2002 is appellante in het kader van de beoordeling per einde wachttijd onderzocht door de arts S.H.M. Albers. Deze stelde de diagnose rugpijn, aspecifiek, subacuut, en nam op basis daarvan lichte beperkingen aan ten aanzien van het gebruik van de rug en legde die vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst. De arbeidsdeskun-dige achtte appellante primair geschikt voor het eigen werk en subsidiair voor uit het Claim Beoordelings- en Borgingsysteem (CBBS) geselecteerde functies en berekende de mate van arbeidsongeschiktheid op minder dan 15%. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 26 februari 2003 geweigerd appellante per 4 juli 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.

2. Bezwaarverzekeringsarts J.W. Hekkelman heeft appellante gezien op de hoorzitting en het primaire medische oordeel bevestigd. Bezwaararbeidsdeskundige D.J. Rooze heeft de geschiktheid voor het eigen werk bevestigd en appellante op basis van CBBS-functies 15 tot 25% arbeidsongeschikt geacht. Bij besluit van 19 augustus 2003 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv appellante per 4 juli 2002 geschikt geacht voor het eigen werk en het bezwaar ongegrond verklaard.

3. Hangende het beroep tegen bestreden besluit 1 heeft het Uwv op 19 maart 2004 een nieuw besluit op bezwaar (bestreden besluit 2) genomen, waarbij appellante per 23 oktober 2002 een WAO-uitkering primair is geweigerd wegens geschiktheid voor het eigen werk. Subsidiair handhaafde het Uwv zijn standpunt met betrekking tot de aan de hand van theoretische functies berekende mate van arbeidsongeschiktheid.

4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep voorzover gericht tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard, bestreden besluit 2 vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 2 in stand blijven en bepalingen gegeven omtrent vergoeding van proceskosten en griffierecht.

5.1. Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat het primaire medische onderzoek in strijd is met de artikelen 2, 3 en 4 van het Schattingsbesluit arbeidsonge-schiktheidswetten en artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat dit onderzoek is verricht door een arts, niet zijnde een geregistreerd verzekeringsarts. Voorts meent appellante dat zij op de datum in geding haar werk dan wel de voorgehouden functies niet en in ieder geval niet voor de volledige werktijd kon verrichten.

5.2. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat een niet-geregistreerde verzekerings-arts niet de titel verzekeringsarts mag voeren maar wel medisch onderzoek mag doen. Voor het overige heeft het Uwv zijn standpunt gehandhaafd.

6. De Raad oordeelt als volgt.

6.1. De Raad stelt vast dat het hoger beroep uitsluitend is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 2 geheel in stand blijven.

6.2. In zijn uitspraken van 18 juli 2007 met de LJN nummers BA9904, BA9905, BA9908, BA9909 en BA9910 heeft de Raad geoordeeld dat de term verzekeringsarts in de artikelen 2, 3 en 4 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten niet uitsluitend is op te vatten als geregistreerd verzekeringsarts. Dit betekent dat het primaire medische onderzoek ook kan worden verricht door een arts die (nog) niet als verzeke-ringsarts is geregistreerd. Deze conclusie brengt echter niet mee dat aan een onderzoek door een niet als verzekeringsarts geregistreerde arts dezelfde waarde kan worden toegekend als aan een onderzoek door een geregistreerde verzekeringsarts, omdat registratie als verzekeringsarts in beginsel borg staat voor een zekere kwaliteit. Naar het oordeel van de Raad is, zolang registratie niet heeft plaatsgevonden, de kwaliteit van het primaire verzekeringsgeneeskundig onderzoek onvoldoende gewaarborgd. Een dergelijk gebrek kan in de bezwaarfase echter wel worden hersteld.

6.2.1. Het Uwv heeft ter zitting van de Raad meegedeeld dat ervan moet worden uitgegaan dat de arts Albers niet een geregistreerd verzekeringsarts was. Gelet hierop dient ervan te worden uitgegaan dat de kwaliteit van het primaire medische onderzoek onvoldoende was gewaarborgd.

6.2.2. Het medisch onderzoek in het kader van de bezwaarschriftprocedure is verricht door de geregistreerde bezwaarverzekeringsarts Hekkelman. Uit diens rapportage van 23 juni 2003 blijkt dat deze geen aanvullend medisch onderzoek heeft gedaan omdat hij van oordeel was dat voldoende medische gegevens voorhanden waren om op basis van de dossiergegevens en de hoorzitting tot een oordeel te komen.

6.2.3. De Raad stelt vast dat van de kant van appellante in bezwaar geen aanvullende medische gegevens zijn ingebracht en dat zij ten tijde in geding ook niet (meer) onder behandeling was. Er was voor de bezwaarverzekeringsarts in beginsel dan ook geen aanleiding voor een nader medisch onderzoek. De Raad is niet gebleken dat het medisch onderzoek in bezwaar niet conform de daarvoor geldende maatstaven is verricht. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts appellante tijdens de hoorzitting heeft gezien. Gelet daarop moet worden geoordeeld dat het gebrek in de primaire medische beoordeling in bezwaar is hersteld.

6.3. Appellantes standpunt dat voor haar ten tijde in geding in ieder geval een urenbeperking gold, volgt de Raad niet nu appellante haar standpunt niet met objectief medische gegevens heeft onderbouwd. Dat de arts C.M.B. Duwel, die appellante op

15 maart 2002 in het kader van een second opinion op verzoek van de werkgever heeft onderzocht, haar toen arbeidsongeschikt achtte, geeft de Raad geen aanleiding anders te oordelen. Blijkens het rapport van Hekkelman van 23 juni 2003 heeft deze het rapport van Duwel bij zijn beoordeling betrokken. Dat Hekkelman de belastbaarheid van appellante op de datum in geding anders inschat dan Duwel op 15 maart 2002 acht de Raad plausibel. In dat verband acht de Raad van belang dat, naar Hekkelman terecht heeft opgemerkt, uit het rapport van Duwel geen objectief medische onderbouwing voor de aangenomen arbeidsongeschiktheid is af te leiden. In de mededeling van de gemachtigde van appellante ter zitting van de Raad dat appellante, nadat zij op enig moment na de hoorzitting op 23 juni 2003 weer had hervat in haar oude werk in december 2003 wederom was uitgevallen, ziet de Raad geen aanwijzing dat appellante op 23 oktober 2002 meer beperkt was dan de bezwaarverzekeringsarts heeft aangenomen.

7. De conclusie is dan ook dat het standpunt van het Uwv dat appellante op 23 oktober 2002 haar eigen werk van beveilingsbeambte kon verrichten, dient te worden gevolgd. Gelet daarop heeft het Uwv terecht geweigerd appellante een WAO-uitkering toe te kennen en dient de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevochten, te worden bevestigd.

8. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en J.F. Bandringa en B. Barentsen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2008.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) E.M. de Bree.

BP