Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD9755

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-08-2008
Datum publicatie
11-08-2008
Zaaknummer
06-4387 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAO. Justheid belastbaarheid. Geschiktheid geselecteerde voorgehouden functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4387 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 16 juni 2006, 04/434 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 augustus 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.A. Severijn, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 30 oktober 2006 heeft mr. Severijn de Raad bericht zich in deze procedure te hebben onttrokken als gemachtigde.

Appellant heeft op 14 juni 2008 nog nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2008.

Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.R. Bos.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant was werkzaam als verpleegkundige toen hij zich op 16 juli 1999 ziek meldde met psychische en duizeligheidsklachten. De rechtbank Assen heeft bij uitspraak van 7 januari 2003, 00/775, beslist op het beroep van appellant tegen het besluit van de rechtsvoorganger van het Uwv van 7 september 2000, waarbij werd gehandhaafd een besluit van 28 juni 2000 dat inhield dat appellant op en na 28 juni 2000 geen recht meer had op ziekengeld. Na raadpleging van drie deskundigen concludeerde de rechtbank dat appellant op en na 28 juni 2000 ongeschikt was voor het verrichten van zijn arbeid. De rechtbank verklaarde evenvermeld beroep gegrond, vernietigde het besluit van 7 september 2000 en herriep het besluit van 28 juni 2000.

2.1. Het Uwv heeft berust in deze uitspraak en heeft vervolgens de aanspraak van appellant op een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) in aansluiting op het volmaken van de wettelijke wachttijd beoordeeld. Deze beoordeling leidde aanvankelijk tot het standpunt van het Uwv dat de als Menière geduide duizeligheidsklachten van appellant ook al bestonden bij aanvang van de verzekering. Dit standpunt werd neergelegd in het besluit van 12 maart 2003, waarbij aan appellant met ingang van 14 juli 2000 een WAO-uitkering werd geweigerd omdat zijn arbeidsongeschiktheid op 14 juli 2000 niet ten minste 15% meer was dan op 14 april 1998.

2.2. Naar aanleiding van het door appellant tegen het besluit van 12 maart 2003 gemaakte bezwaar, het verslag van de hoorzitting, de van de neuroloog P.G. Oomes verkregen informatie van 26 augustus 2003 en bestudering van de beschikbare gegevens achtte de bezwaarverzekeringsarts G.J. Dreijer in een rapport van 2 september 2003 het aannemelijk dat er sprake is geweest van een verandering in de medische situatie sinds de aanvang van de verzekering. Daarbij tekende Dreijer aan dat appellant ruim een jaar heeft gefunctioneerd in zijn eigen werk. Volgens Dreijer diende dan ook een beoordeling per het einde van de wachttijd plaats te vinden. Dreijer stelde vervolgens vast dat appellant is aangewezen op werk in een wat rustige omgeving zonder veel externe prikkels, waarbij hij niet veelvuldig het hoofd hoeft te draaien of omhoog moet kijken, en zonder hoge werkdruk. Voorts concludeerde Dreijer dat de klachten in verband met de nekhernia, waarvoor appellant op 13 september 2002 door Oomes is geopereerd, bij het einde van de wachttijd nog niet bestonden. Dreijer legde zijn bevindingen vast in formulier “Functie Informatie Systeem va/ad” van 3 september 2003. Vervolgens selecteerde de bezwaararbeidsdeskundige L.H.L. Stiekema blijkens zijn rapport van 8 januari 2004 een aantal functies en berekende het verlies aan verdienvermogen op 51%. In het besluit op bezwaar van 8 juni 2004 is onder andere aangegeven dat de reactie van de toenmalige gemachtigde van appellant van 12 februari 2004 Dreijer geen aanleiding gaf tot een ander medisch oordeel. Vervolgens verklaarde het Uwv bij dit besluit het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 maart 2003 gegrond, hetgeen volgens het Uwv betekende dat appellant vanaf 14 juli 2000 45-55% arbeidsongeschikt werd geacht in het kader van de WAO.

3.1. In de beroepsprocedure heeft de rechtbank aanleiding gezien de neuroloog J.C. den Heijer te benoemen als deskundige voor het instellen van een onderzoek. In een rapport van 5 oktober 2005 kwam deze deskundige tot de volgende – ook door de rechtbank weergeven – diagnoses: “Draaiduizeligheid in aanvallen bij slechthorendheid links en oorsuizen links kunnen passen bij Morbus Menière. Zwakte van kleine hand-spieren en gebruiksstoornis van de linkerhand kan passen bij een restradiculopathie C8 links. Dysaesthesie in het nervus cutaneus femoris lateralis gebied links passend bij meralgia pareasthetica links. Discrete gebruiksstoornis linkerhand en linkerbeen zou kunnen passen bij discrete myelopathie links .” Hoewel volgens Den Heijer op basis van de informatie van Oomes anders kon worden beredeneerd, oordeelde Den Heijer, met voordeel van de twijfel voor appellant, dat deze diagnoses ook golden ten tijde van de datum in geding. De inschatting van de belastbaarheid van appellant achtte Den Heijer (bij benadering) juist met de aantekening dat wellicht ook ten aanzien van duwen en trekken nog een beperking zou kunnen worden aangenomen en hij ging er vanuit dat appellant de geduide functies moest kunnen vervullen. De reactie van appellant leidde Den Heijer in een nader rapport van 15 december 2005 niet tot een ander oordeel. Daarbij gaf hij aan dat het te ver ging om te veronderstellen dat de afwijkingen op de datum in geding nog aanzienlijk erger waren en desalniettemin niet werden vermeld door de neurologen Van der Ploeg en Oomes in 2001 en 2002.

3.2. De rechtbank zag in de aangevallen uitspraak geen aanleiding te twijfelen aan het oordeel van de door haar ingeschakelde deskundige. De rechtbank overwoog voorts dat de bezwaararbeidsdeskundige Stiekema in een rapport van 21 november 2005 heeft aangegeven dat de door de deskundige aangegeven extra beperkingen voor duwen en trekken de bij de schatting in aanmerking genomen functies, met uitzondering van één functie binnen de fb-code 9734 (brugwachter) niet ongeschikt maken.

3.3. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant, voor zover gericht tegen het uitblijven van een besluit op zijn bezwaar, niet-ontvankelijk en veroordeelde het Uwv in zoverre in de proceskosten. Het mede tegen het besluit van 8 juni 2004 (hierna: het bestreden besluit) gericht geachte beroep verklaarde de rechtbank ongegrond.

4. In hoger beroep heeft appellant in essentie zijn standpunt herhaald dat zijn belastbaarheid onvoldoende is vastgesteld en dat het rapport van de deskundige onvolledig is, onder andere omdat geen rekening is gehouden met duizeligheid als gevolg van hypersensitiviteit, welke na verschillende nekoperaties grotendeels is verdwenen.

5.1. De Raad stelt voorop dat hij uit het hoger beroep van appellant afleidt dat dit alleen is gericht tegen het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit. De Raad zal zijn beoordeling dan ook daartoe beperken.

5.2. De Raad heeft geen aanleiding gezien wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. In dit verband tekent de Raad in de eerste plaats aan dat in zijn vaste rechtspraak ligt besloten dat hij het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Voorts stelt de Raad vast dat hem niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken. De Raad merkt op dat de deskundige heeft gereageerd op de reactie namens appellant op het eerder uitgebrachte rapport en dat appellant geen nadere medische informatie heeft ingebracht ter onderbouwing en ondersteuning van zijn standpunt met betrekking tot het rapport van Den Heijer. Het standpunt van appellant – onder verwijzing naar het rapport van de psychiater Oppendijk van 31 juli 2000 (lees: 2001), dat is uitgebracht aan de rechtbank in de procedure welke heeft geleid tot haar onder 1 vermelde uitspraak – vindt, naar het de Raad voorkomt, geen bevestiging in het onderzoek en de conclusies van de deskundige Den Heijer, die in zijn rapport ook het rapport van Oppendijk van 6 januari 2001 vermeldt. Bovendien is het rapport van Oppendijk, die in een nader rapport van 31 juli 2000 de hypersensitiviteit overigens in verband bracht met de ziekte van Menière, uitgebracht in het kader van de Ziektewetprocedure en doet deze deskundige in dat kader alleen een uitspraak over de ongeschiktheid van appellant voor zijn eigen werk.

Ook de door appellant op 14 juni 2008 overgelegde brief van de neuroloog J.E.S. Hartono van 21 maart 2008 leidt de Raad niet tot een ander oordeel. Hartono spreekt immers over MRI-onderzoek van de CWK uit 2001, 2006 en 2007, derhalve alledrie gelegen na de datum in geding en betrekking hebbende op de nekwervelkolom.

5.4. De Raad heeft voorts geen aanleiding gezien de uit overweging 3.2 blijkende instemming van de rechtbank met het rapport van Stiekema van 21 november 2005 niet te onderschrijven.

5.5. Op grond van het overwogene in 5.1 t/m 5.4 stelt de Raad vast dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5.6. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.W.A. Schimmel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.W.A. Schimmel.

BP