Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD9738

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-07-2008
Datum publicatie
11-08-2008
Zaaknummer
06-5270 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen sprake van ontneming van eigendom, nu het recht op WAO-uitkering was gebaseerd op de uitkeringsvoorwaarde dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minstens 15% bedraagt. Juiste medische grondslag. De (eenvoudige en routinematige) werkzaamheden liggen binnen de mogelijkheden van betrokkene.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5270 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 27 juli 2006, 05/2166 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 juli 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.A. van der Kleij, advocaat te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2008, waar appellante in persoon is verschenen met bijstand van haar raadsman. Het Uwv is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier volstaat de Raad met het volgende.

1.2. Bij besluit van 13 december 2004 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante, die was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, per 11 februari 2005 ingetrokken.

1.3. Bij besluit van 17 oktober 2005 (bestreden besluit) is het tegen het besluit van 13 december 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft uit de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts, samengevat, geconcludeerd dat voldoende diepgaand en zorgvuldig onderzoek is verricht naar de beperkingen van appellante, waarbij deze arts zich een juist beeld heeft kunnen vormen van de medische situatie van appellante per datum in geding. De rechtbank heeft tevens geoordeeld dat niet is gebleken dat de belasting in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet binnen de grenzen van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) aangegeven belastbaarheid blijft, dat deze functies de arbeidsmogelijkheden van appellante niet te boven gaan of anderszins niet voor haar geschikt zijn te achten en dat het Uwv zulks voldoende inzichtelijk heeft onderbouwd.

Ten slotte heeft de rechtbank het door appellante gedane beroep op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 12 oktober 2004 (Kjartan versus IJsland) en de uitspraak van de Raad van 18 juni 2004, LJN: AP4680, verworpen, waarna de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat het Uwv terecht de uitkering van appellante per 11 februari 2005 heeft ingetrokken.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank uit een door haar overgelegd rapport van M. Starke, verbonden aan de Regionale Instelling voor Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg (RIAGG) te Zwolle, betreffende een in november/december 2005 gedaan psychodiagnostisch onderzoek, ten onrechte niet heeft aangenomen dat bij appellante een depressie is gediagnosticeerd. Voorts is aangevoerd dat de bezwaarverzekeringsarts appellante niet zelf heeft onderzocht.

Verder is appellante van mening dat de arbeidskundige aspecten van het bestreden besluit door het Uwv onvoldoende zorgvuldig en deugdelijk zijn voorbereid en gemotiveerd. Tevens is gesteld dat appellante in alle functies naar verwachting wegens haar beperkingen problemen zal ondervinden. Daarbij is met name gewezen op de onmogelijkheid om in die functies zelf de werkdruk te sturen. Ten slotte is betoogd dat de discrepantie tussen de eerdere arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen en de onderhavige beoordeling niet valt te verklaren. Herhaald is dat de intrekking van de uitkering een schending oplevert van verdragsrechtelijk beschermde eigendomsrechten. Ter zitting van de Raad is in dit verband verwezen naar rechtsoverweging 100 van het arrest van het EHRM van 29 juni 2007 (Folgerø en anderen tegen Noorwegen).

4.1. Met betrekking tot de gestelde inbreuk op het eigendomsrecht, de meest verstrekkende beroepsgrond, overweegt de Raad als volgt.

Uit vaste rechtspraak van de Raad - zie bij voorbeeld de uitspraken van 14 juni 2007, LJN: BA8667, en 3 oktober 2007, LJN: BB4816 - volgt dat van ontneming of beperking van eigendom als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) slechts sprake kan zijn, indien een voor de vaststelling van appellantes aanspraken uit hoofde van de WAO bestaand voorwerp van eigendom (“possession”) in het kader van de arbeidsongeschiktheidsverzekering zou kunnen worden aangewezen dat appellante bij de aangevochten besluitvorming is ontnomen of waarvan het genot door die besluitvorming is beperkt. Een voorwaardelijke aanspraak waarbij niet aan de voorwaarden is voldaan, kan niet worden beschouwd als een “possession”. In het geval van appellante is geen sprake van ontneming van eigendom, nu haar recht op WAO-uitkering was gebaseerd op de uitkeringsvoorwaarde dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minstens 15% bedraagt. Nadat was vastgesteld dat die mate van arbeidsongeschiktheid was afgenomen naar minder dan 15%, voldeed appellante niet meer aan de voorwaarden om aanspraak te hebben op een WAO-uitkering.

Verder merkt de Raad op dat hem de relevantie van de verwijzing naar het arrest van het EHRM van 29 juni 2007 voor het onderhavige geschil ontgaat. In dit arrest was het eigendomsrecht niet aan de orde. De door appellante genoemde paragraaf 100 behelst slechts een algemene overweging van het EHRM over de strekking van de door het EVRM gegarandeerde rechten.

Van enige inbreuk op een eigendomsrecht van appellante is dan ook geen sprake.

4.2. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit. Ook naar het oordeel van de Raad geven de beschikbare stukken geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de gemotiveerde conclusie van de bezwaarverzekeringsarts van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen over de belastbaarheid van appellante per 11 februari 2005. De Raad overweegt hiertoe dat de bezwaarverzekeringsarts zich heeft gebaseerd op de bevindingen van de verzekeringarts die appellante op zijn spreekuur heeft gezien, zijn eigen waarneming van appellante op de hoorzitting, dossieronderzoek en de beschikbare informatie van de behandelaars van appellante. Dat appellante niet door de bezwaarverzekeringsarts is onderzocht, leidt naar het oordeel van de Raad niet tot de conclusie dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig is geweest. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts mede op basis van de van de RIAGG verkregen informatie heeft aangenomen dat appellante vanwege haar kwetsbaarheid beperkter is dan eerder aangenomen door de primaire verzekeringsarts, waarna de FML door de bezwaarverzekeringsarts is bijgesteld. Dat in het onderzoek van november/december 2005 door de onderzoeker van de RIAGG is geconcludeerd dat diagnostisch gezien sprake is van een neurotische problematiek/depressie leidt de Raad evenmin tot een andere conclusie, nu bij het vaststellen van de medische mogelijkheden en beperkingen in het kader van de WAO een diagnose niet doorslaggevend is. Het gaat er immers om of de mogelijkheden en beperkingen tot het verrichten van arbeid juist zijn vastgesteld. Dat ten aanzien van appellante eerder reeds op medische gronden is geconcludeerd tot volledige arbeidsongeschiktheid maakt dit niet anders, nu iedere beoordeling op haar eigen waarde moet worden bezien.

4.3. Wat betreft de arbeidskundige aspecten is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het Uwv genoegzaam heeft gemotiveerd dat de (eenvoudige en routinematige) werkzaamheden die ter vervulling van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies moeten worden verricht binnen de mogelijkheden van appellante liggen.

5. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R.P.T. Elshoff als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2008.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) A. Wit.

RB