Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD9734

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-08-2008
Datum publicatie
11-08-2008
Zaaknummer
06-5352 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WASZ-uitkering. Heeft het Uwv op juiste gronden de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op minder dan 25% en de WAZ-uitkering ingetrokken? Evidente rekenfout van de bezwaararbeidsdeskundige. Anticumulatie.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:4
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 58
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2008/295
JB 2008/223
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5352 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 27 juli 2006, 05/1440 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 augustus 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft R.T. van Baarlen, werkzaam bij De Fiscount Adviesgroep B.V. te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, waarop namens appellant een reactie is ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2008.

Appellant was daar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde Van Baarlen, het Uwv door mr. P. Belopavlovic.

II. OVERWEGINGEN

1. Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitvoerig overzicht van de voor dit geding relevante feiten en omstandigheden volstaat de Raad hier met het volgende.

1.1. Appellant, zelfstandig tuinondernemer, is op 10 oktober 1998 wegens gewrichts-klachten uitgevallen.

1.2. In aansluiting op de wettelijke wachttijd is hij met ingang van 9 oktober 1999 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheids-verzekering zelfstandigen (WAZ), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.3. Bij een drietal besluiten van 19 augustus 2004 heeft het Uwv besloten tot:

- toepassing van artikel 58, eerste lid, van de WAZ, waarbij de uitkering van appellant op grond van de door hem genoten inkomsten over de perioden van 1 januari 2001 tot 1 januari 2002 en 1 januari 2002 tot 1 januari 2003 is uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%;

- beëindiging van de uitkering van appellant met ingang van 1 januari 2003, omdat appellant per die datum minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht.

1.4. De tegen deze besluiten van 19 augustus 2004 gemaakte bezwaren hebben geleid tot een drietal besluiten op bezwaar van 17 februari 2005. Daarin is de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid van appellant over het jaar 2000 vastgesteld op 45 tot 55%, over de jaren 2001 en 2002 op 65 tot 80%. Met ingang van 1 januari 2003 is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant, met toepassing van artikel 58, tweede lid, van de WAZ, bepaald op 65 tot 80%.

1.5. Tegen deze besluiten van 17 februari 2005 zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

1.6. Bij besluit van 11 juli 2005 heeft het Uwv de WAZ-uitkering van appellant met ingang van 12 september 2005 ingetrokken, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 1 januari 2003 minder was dan 25%.

1.7. Bij besluit van 11 november 2005 (hierna: bestreden besluit) is het tegen het besluit van 11 juli 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Omdat de rechtbank van oordeel was dat het dossier van het Uwv niet compleet was, heeft de rechtbank een proceskostenveroordeling uitgesproken.

2.2. Deze aanvullende beslissing van de rechtbank is in hoger beroep niet aangevochten.

3.1. In hoger beroep heeft appellant, samengevat, aangevoerd, dat het Uwv

- ten onrechte is teruggekomen van het rechtens onaantastbaar geworden besluit van 17 februari 2005, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 1 januari 2003 reeds is vastgesteld op 65 tot 80%;

- niet gerechtigd was van het eerder ten aanzien van de inkomsten van appellant over het jaar 2000 ingenomen standpunt terug te komen;

- ten onrechte artikel 58, eerste lid, van de WAZ eerst vanaf 1 januari 2000 heeft toegepast in plaats vanaf 9 oktober 1999;

- door deze besluitvorming heeft gehandeld in strijd met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb);

- de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 1 januari 2003 op een onjuiste wijze heeft vastgesteld, welke vaststelling bovendien geen recht doet aan het werkelijke verlies van verdiencapaciteit;

- ten onrechte geen volledig medisch en arbeidskundig onderzoek naar de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant heeft gedaan.

Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat in het onderhavige geval sprake is van een ongeoorloofde ongelijke behandeling als bedoeld in artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).

4. Partijen worden in hoger beroep verdeeld gehouden over de vraag of het Uwv bij het bestreden besluit op juiste gronden de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 1 januari 2003 heeft vastgesteld op minder dan 25% en de WAZ-uitkering met ingang van 12 september 2005 heeft ingetrokken.

5. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

5.1. Voor de Raad staat vast dat aan het besluit van 17 februari 2005, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 1 januari 2003 was vastgesteld op 65 tot 80%, een evidente rekenfout van de bezwaararbeidsdeskundige ten grondslag lag: bij de berekening van de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid over het jaar 2000 is door de bezwaararbeidsdeskundige abusievelijk uitgegaan van een inkomen van € 30.288,- in plaats van het correcte inkomen ten bedrage van € 116.917,02.

5.2. Het Uwv was gerechtigd dit feitelijke gegeven te corrigeren en de gemaakte, evidente, fout te herstellen.

5.3. Teneinde daarbij niet in strijd te komen met het rechtszekerheidsbeginsel heeft het Uwv zijn eerder genomen besluit niet met terugwerkende kracht gecorrigeerd doch eerst voor de toekomst, en wel per 12 september 2005.

5.4. Anders dan appellant kennelijk meent is het Uwv daarmee niet teruggekomen van een eerder in rechte onaantastbaar geworden besluit.

5.5. Daarbij is ook nog het volgende van belang.

5.6. Het door de Raad al eerder als juist aanvaarde beleid van het Uwv, neergelegd in het in het onderhavige geval toepasselijke Besluit beëindiging anticumulatie na drie jaar bij wisselende verdiensten, voorziet erin dat een herziening van een uitkering in een geval als het onderhavige dient te geschieden aan de hand van een vergelijking van het maat-gevende inkomen met het gemiddelde inkomen over de laatste drie jaren.

5.7. Tevens is van belang dat de formele rechtskracht van kortingsbesluiten niet geacht kan worden tevens te zien op de feitelijke inkomensgegevens zoals die ten grondslag hebben gelegen aan de vaststelling van de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid van de betrokken verzekerde. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 12 augustus 2003, gepubliceerd in RSV 2003/265.

5.8. Voorts is naar het oordeel van de Raad niet relevant dat het Uwv niet reeds eerder dan ingaande 1 januari 2000 tot korting van de uitkering is overgegaan, evenmin als de stelling dat het jaar 2000 in het geheel niet bij de onderhavige besluitvorming mocht worden betrokken: over het jaar 1999 ligt er nu eenmaal geen kortingsbesluit en over 2000 wel. De juistheid van die besluiten staat in de onderhavige procedure niet ter beoordeling.

5.9.1. Met betrekking tot de grief dat het Uwv ten onrechte na ommekomst van het tijdvak van drie jaar als bedoeld in artikel 58, tweede lid, van de WAZ geen volledig (arbeidskundig en medisch) onderzoek naar de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant heeft gedaan overweegt de Raad als volgt.

5.9.2. Het stelsel van artikel 58, tweede lid, van de WAZ, dat inhoudt dat toepassing van de korting op de voet van het eerste lid ten hoogste kan plaatsvinden over een aaneen-gesloten tijdvak van drie jaar en dat na afloop van dit tijdvak de in het eerste lid bedoelde arbeid, waaruit inkomsten worden genoten, aangemerkt wordt als arbeid bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de WAZ, brengt, zoals de Raad al eerder heeft geoordeeld (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 juli 2005, LJN: AU0472), niet mee dat in alle gevallen na ommekomst van het tijdvak van drie jaar en bij toepassing van artikel 58, tweede lid, van de WAZ, een medisch onderzoek is aangewezen. Bij een specifieke schatting op grond van artikel 58, tweede lid, van de WAZ, is immers door wetsduiding de - door de verzekerde al dan niet in aangepaste vorm verrichte - arbeid waaruit in de aaneengesloten periode van drie jaar inkomsten worden genoten, de arbeid als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de WAZ. In het geval van zo’n specifieke schatting acht de Raad, anders dan bij een reguliere schatting, een verzekeringsgeneeskundig onderzoek alleen aangewezen, indien er duidelijke aanwijzingen zijn dat er in aansluiting op de aaneengesloten periode van drie jaar, waarin de korting op de voet van artikel 58, eerste lid, van de WAZ is toegepast, sprake is van een wezenlijke verslechtering van de medische situatie van de betrokkene. Dat hiervan sprake zou zijn, is gesteld noch gebleken. Mitsdien slaagt ook deze grief van appellant niet.

5.10. Niet betwist is dat, indien voor het jaar 2000 wordt uitgegaan van een inkomen van appellant van € 116.917,02, het gemiddeld inkomen van appellant over de jaren 2000, 2001 en 2002 zodanig is, dat zijn mate van arbeidsongeschiktheid per 1 januari 2003 minder dan 25% bedraagt. De opvatting van appellant dat daarmee het verlies aan verdiencapaciteit van appellant niet juist zou zijn vastgesteld, deelt de Raad niet.

5.11. Ook het door appellant gedane beroep op artikel 3:4 van de Awb slaagt niet. De in artikel 58 van de WAZ dwingend voorgeschreven anticumulatieregeling verzet zich tegen toetsing van een besluit, waarin deze regeling wordt toegepast, aan de in artikel 3:4 van de Awb neergelegde beginselen.

5.12. Het beroep op artikel 26 van het IVBPR slaagt evenmin, reeds omdat appellant daarbij uitgaat van het - zie overwegingen 5.3. en 5.4. van deze uitspraak - onjuist geachte uitgangspunt dat het Uwv is teruggekomen van zijn eerdere besluitvorming met betrekking tot het jaar 2000.

6. Uit al het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2008.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.)M. Lochs.

BP