Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD9731

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-08-2008
Datum publicatie
11-08-2008
Zaaknummer
06-5628 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om herziening: geen sprake van nieuwe feiten en/of omstandigheden. Ter zitting is bevestigd dat met betrekking tot de ziekenhuisopname, waaromtrent verdere gegevens ontbreken, nadien geen verdere behandeling is geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5628 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 augustus 2006, 05/4576 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 augustus 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kuit. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft zich ziek gemeld terwijl zij een uitkering ingevolge de Werkloos-heidswet ontving. Het Uwv heeft bij besluit van 15 augustus 2002 met ingang van 20 februari 2002 aan appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschikt-heidsverzekering (WAO) geweigerd.

1.2.1. Bij brief van 13 oktober 2004 heeft appellante het Uwv verzocht het besluit van 15 augustus 2002 te herzien. Ter ondersteuning van haar verzoek gaf appellante aan dat zij in juli 2003 voor de duur van acht dagen in het ziekenhuis opgenomen was geweest waarbij duidelijk is geworden dat zij wellicht door een situatie van ernstige stress symptomen van een herseninfarct was gaan vertonen.

1.2.2. De verzekeringsarts F.C. Swaan heeft naar aanleiding van het verzoek van appellante geoordeeld dat er geen sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die een heroverweging van het primaire besluit rechtvaardigen nu alle in 1.2.1 vermelde ontwikkelingen spelen na de datum in geding. Vervolgens heeft het Uwv, bij besluit van 24 februari 2005, geweigerd terug te komen van zijn besluit van 15 augustus 2002.

2. In de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts J.H.M. de Brouwer in een rapport van 21 juni 2005 aangegeven geen aanleiding te zien af te wijken van het medische oordeel van de verzekeringsarts Swaan. De psychische klachten van appellante zijn volgens De Brouwer destijds bij de beoordeling betrokken en uit de Functionele Mogelijkheden Lijst komt een verminderde psychische belastbaarheid naar voren. Uit niets blijkt, aldus De Brouwer, dat de in 1.2.1 vermelde brief aangegeven situatie al speelde bij het einde van de wachttijd. Vervolgens verklaarde het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 24 februari 2005 bij zijn besluit van 18 augustus 2005 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond.

3. De rechtbank heeft - het bestreden besluit terughoudend toetsend en in het kader daarvan de bevindingen van De Brouwer onderschrijvend - het beroep van appellante ongegrond verklaard.

4. In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante in essentie dezelfde grieven als in bezwaar en in eerste aanleg naar voren gebracht.

5. De Raad overweegt het volgende.

6.1. In artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijke afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.

6.2. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.

6.3. De Raad is, evenals de rechtbank en het Uwv, die beide wijzen op het rapport van De Brouwer, van oordeel dat bij het verzoek van appellante om terug te komen van het besluit van 15 augustus 2002 geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb zijn gesteld. Ter zitting is namens appellante overigens bevestigd dat met betrekking tot de ziekenhuisopname in juli 2003, waaromtrent verdere gegevens ontbreken, nadien geen verdere behandeling is geweest.

6.4. Het Uwv was dan ook bevoegd om met toepassing van dit artikellid de aanvraag af te wijzen. In hetgeen door en namens appellante is gesteld, ziet de Raad geen grond te oordelen dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik kon maken.

6.5. Gelet op hetgeen is overwogen onder 6.1 tot en met 6.4 kan het hoger beroep niet slagen en dient de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, te worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.W.A. Schimmel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.W.A. Schimmel.

BP