Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD9718

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2008
Datum publicatie
11-08-2008
Zaaknummer
07-678 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het verzoek om de functie van betrokkene in een hogere salarisschaal in te delen houdt niet tevens een verzoek om vergoeding van wettelijke rente en aanpassing van de pensioengrondslag in.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/678 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 13 december 2006, 06/4490 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Defensie (hierna: staatssecretaris)

Datum uitspraak: 31 juli 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2008. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. N.I. van Os, werkzaam bij de VBM/NOV, en [S.]. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.E.P van Zandbergen, werkzaam bij het ministerie van Defensie.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was werkzaam als [naam functie] binnen het [naam dienst] op de verzorgingslocatie [locatie 1].

Op 9 december 1998 heeft hij verzocht om de indeling van zijn functie te wijzigen in hoofdgroep II, niveaugroep c, schaal 5 van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie (BBAD). Daarbij heeft hij - onder meer - verwezen naar de waardering van de functies van de [naam functie]s van de verzorgingslocaties [locatie 2] en [locatie 3], op grond waarvan deze [naam functie]s met terugwerkende kracht zijn ingedeeld in hoofdgroep II, niveaugroep c, schaal 5 van het BBAD.

1.2. Bij besluit van 12 augustus 1999, na bezwaar gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 17 mei 2002, heeft de staatssecretaris dit verzoek afgewezen.

1.3. Bij uitspraak van 16 mei 2003 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit van 17 mei 2002 vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de staatssecretaris ten onrechte de beschrijving van de organieke functie van 20 juni 2000 aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Bij de [naam functie]s van de locaties [locatie 2] en [locatie 3] heeft de staatssecretaris geen organieke beschrijving gehanteerd maar een beschrijving van de feitelijk verrichte werkzaamheden. Appellant wenste ook dat van de beschrijving van zijn feitelijke werkzaamheden werd uitgegaan. Voorts ontbrak volgens de rechtbank ten onrechte een peildatum in de functiebeschrijving van 20 juni 2000.

1.4. Bij besluit van 2 oktober 2003 heeft de staatssecretaris de bezwaren van appellant opnieuw ongegrond verklaard. Daarbij heeft de staatssecretaris aangegeven dat de waardering van de organieke en ook de feitelijke functie gehandhaafd dient te blijven in hoofdgroep II, niveaugroep b, schaal 4 van het BBAD. Voorts heeft de staatssecretaris bepaald aanleiding te zien appellant ‘op persoonlijke titel’ met terugwerkende kracht te bevorderen tot schaal 5 van het BBAD. Appellant heeft zich daarmee niet kunnen verenigen.

2. Bij uitspraak van 2 november 2004 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellants procesbelang is gelegen in de bezoldiging naar schaal 5 van het BBAD. Nu een rechtsoordeel over de waardering van de functie van appellant op schaal 5 van het BBAD niet tot een ander rechtsgevolg kan leiden dan een bezoldiging naar schaal 5 van het BBAD, ziet de rechtbank niet in welk belang nog is gelegen in de waardering van de functie van appellant op schaal 5 van het BBAD. Ook overigens ziet de rechtbank niet welk restbelang van appellant nog is gediend met de behandeling van zijn beroep.

3. Bij uitspraak van 26 januari 2006, 04/6768, heeft de Raad voormelde uitspraak vernietigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank. De Raad heeft daarbij overwogen dat de uitkomst van de waardering van een ambtelijke functie dient te worden aangemerkt als een zelfstandig rechtsgevolg, dat moet worden onderscheiden van de inschaling van de functionaris. Met de inschaling in schaal 5 van het BBAD is het processuele belang van appellant bij een oordeel over de rechtmatigheid van het besluit van 2 oktober 2003 niet verloren gegaan.

4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant voor zover (nog) gericht tegen de waardering van zijn functie ongegrond en voor het overige, voor zover gericht op het verkrijgen van schadevergoeding, niet-ontvankelijk verklaard.

5. Appellant heeft in hoger beroep allereerst naar voren gebracht dat de waardering van zijn functie geen punt van geschil meer is. Vervolgens heeft hij zijn standpunt herhaald dat hij met zijn initiële verzoek om op grond van het gelijkheidsbeginsel in dezelfde situatie te worden gebracht als de [naam functie]s van de verzorgingslocaties [locatie 3] en [locatie 2] wel degelijk eveneens het verzoek heeft gedaan om vergoeding van de wettelijke rente en om aanpassing van zijn pensioengrondslag.

5.1. Het initiële verzoek van appellant van 9 december 1998 luidt - voor zover hier van belang - als volgt: “Hierbij verzoekt (…) wijziging in de indeling van de functie van [naam functie] binnen 940 Vzgdep de Maas, Vzgloc [plaats[locatie 1]. Wijziging betreft dat de aan mij opgedragen werkzaamheden (FIF + suppletiebladen reeds medio april 1997 ter ondertekening aan C-940 Vzgdep de Maas aangeboden) in evenredigheid en gelijkheid staan met de werkzaamheden die gekoppeld en getoetst zijn (zie jurisprudentie [naam functie]s Vzgloc. [locatie 2] en Mariahout 950 Vzgdep de Amer), zodat herindeling in Hoofdgroep II, niveaugroep C, schaal 5 van het bezoldigingsbesluit Burgerlijke Ambtenaren Defensie van toepassing is.”

5.2. Bij het in 1.4 vermelde bestreden besluit van 2 oktober 2003 heeft de staatssecretaris zijn weigering gehandhaafd om de functie van appellant in een hogere salarisschaal in te delen. Vanwege het ongewenste langdurige verloop van de procedure en het gegeven dat bij appellant inmiddels verwachtingen waren gewekt, heeft de staatssecretaris het aangewezen geacht appellant op persoonlijke titel met terugwerkende kracht te bevorderen tot schaal 5 van het BBAD. Daarbij heeft de staatssecretaris geen beslissingen genomen omtrent de wettelijke rente en aanpassing van de pensioengrondslag.

5.3. Evenals de rechtbank kan ook de Raad in het onder 5.1 weergegeven initiële verzoek van appellant niet lezen dat daarin tevens een verzoek om vergoeding van wettelijke rente en aanpassing van de pensioengrondslag besloten ligt. Ook onderschrijft de Raad niet de - overigens niet nader onderbouwde - stelling van appellant dat toekenning van de wettelijke rente en pensioenschade direct zou voortvloeien uit de op persoonlijke titel toegekende verhoogde schaalindeling. Van een bij die schaalindeling impliciet genomen besluit tot weigering van wettelijke rente en pensioenschade is dan ook geen sprake. Voorts kan de Raad ook niet inzien dat uit artikel 3.1. van het Pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP zou voortvloeien dat aan appellant vergoeding van pensioenschade moet worden toegekend. In dit artikel, dat een definitie bevat van het begrip “pensioengevend inkomen”, wordt daaromtrent immers niets aangegeven.

Voorts merkt de Raad op dat de vraag of de nabetaling die appellant ontvangt als gevolg van de bevordering met terugwerkende kracht behoort tot het pensioengevend inkomen, volledig buiten de omvang van het onderhavige geding valt.

6. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten moet worden bevestigd.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K.J. Kraan en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2008.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M.B. de Gooijer.

HD