Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD9717

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2008
Datum publicatie
11-08-2008
Zaaknummer
07-1237 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag. Door zich bij herhaling en welbewust te begeven in een crimineel prostitutiemilieu heeft betrokkene een onaanvaardbaar risico genomen dat conflicten zouden rijzen tussen privé- en dienstbelang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1237 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 januari 2007, 05/5058 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio [naam politieregio] (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 31 juli 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2008. Appellant is in persoon verschenen. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Th. Tanja, werkzaam bij de politieregio [naam politieregio] (hierna: politieregio).

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant was sinds 1993 werkzaam bij de politieregio, laatstelijk als [naam functie] bij het Regionaal Service Centrum.

In het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar M, die ervan verdacht werd leiding te geven aan een criminele organisatie die zich bezighield met vrouwenhandel, werd op 15 mei 2004 de stem van appellant herkend bij een getapt telefoongesprek tussen appellant en M.

1.2. Vervolgens heeft het Bureau Interne Onderzoeken van de politieregio in de periode juni tot en met december 2004 een zogenoemd huishoudelijk onderzoek verricht naar de gedragingen van appellant. Op grond van de uitkomsten van dit onderzoek is aan appellant op 3 februari 2005 het voornemen kenbaar gemaakt hem te ontslaan. Appellant heeft schriftelijk en mondeling zijn zienswijze op dit voornemen kenbaar gemaakt.

1.3. Bij besluit van 12 mei 2005 heeft de korpsbeheerder appellant primair op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd, en subsidiair op grond van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder g, van het Barp ontslag verleend wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor zijn ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

Dit besluit is, na door appellant gemaakt bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 27 september 2005.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij - kort samengevat - overwogen dat uit een aantal uitlatingen van appellant tijdens het huishoudelijk verhoor blijkt, dat deze wist of behoorde te weten dat M zich met criminele activiteiten bezighield. De rechtbank heeft in dit verband gewezen op het feit dat appellant naar zijn zeggen schrok van de aanhouding van een - vermoedelijk illegale - prostituee die voor M werkte; op de gewetensbezwaren die appellant kreeg vanwege zijn vermoedens van illegale praktijken van M; op het veelvuldig wisselen van adres van M; op de ontboezeming van M tegenover appellant dat politieagenten het hem lastig maakten; op de herkomst van een aantal prostituees uit Albanië, Roemenië en Turkije, terwijl appellant wist dat vrouwen uit die landen mogelijk illegaal in Nederland verblijven of illegaal het beroep van prostituee uitoefenen; en op het feit dat sommige meisjes schrokken toen hij vertelde dat hij bij de politie werkte. Naar het oordeel van de rechtbank levert het feit dat appellant ondanks zijn vermoedens contact is blijven zoeken met M om gebruik te maken van zijn escortbureau plichtsverzuim op. Gelet op de hoge eisen die aan de integriteit van politieambtenaren mogen worden gesteld, acht de recht-bank het opgelegde strafontslag niet onevenredig.

3. In hoger beroep stelt appellant dat de opgelegde straf van ontslag wel onevenredig is. Appellant voert daartoe onder meer aan dat hij nooit geweten heeft, maar steeds hooguit heeft vermoed, dat M een crimineel was. Bovendien vonden zijn bezoeken aan de escortservice strikt in de privésfeer plaats: de bezoeken geschiedden nooit in diensttijd en appellant heeft zijn positie bij de politie nooit aangewend om gunsten te verkrijgen.

De korpsbeheerder heeft tegen de stellingen van appellant gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad onderschrijft het oordeel dat de rechtbank over het bestreden besluit heeft gegeven en de overwegingen op grond waarvan de rechtbank tot haar oordeel is gekomen. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad nog het volgende.

4.1. Met de korpsbeheerder is de Raad van oordeel dat uit het verhoor van appellant zoveel waarnemingen naar voren kwamen waaruit bleek dat hij zich bewust is geweest van illegale praktijken bij de escortservice van M, dat voldoende vaststaat dat appellant wist of behoorde te weten dat M zich met criminele activiteiten bezighield. Daarbij merkt de Raad nog op dat appellant voorheen werkzaam is geweest bij de vreemdelingendienst, waar hij zich onder meer bezighield met de behandeling van visum-aanvragen van Oost-Europese vrouwen. Met de bij die dienst opgedane ervaring moet appellant zeer wel in staat worden geacht zijn waarnemingen op de juiste wijze te interpreteren. Ook uit het gegeven dat appellant volgens zijn eigen verklaring gewetensbezwaren kreeg vanwege zijn vermoedens van illegale activiteiten (maar vervolgens toch geen weerstand kon bieden aan zijn lustgevoelens) maakt de Raad op dat appellant zich bewust moet zijn geweest van illegale praktijken van M, waarvan hij zich verre behoorde te houden.

4.2. De Raad kan appellant niet volgen in zijn stelling, dat het hier louter om privé-gedragingen ging, die zijn positie als ambtenaar niet zodanig onhoudbaar maakten dat het terstond verlenen van strafontslag gerechtvaardigd was.

Aan appellant kan worden toegegeven, dat - zoals ook namens de korpsbeheerder is gesteld - het in de privésfeer bezoeken van (legale) prostituees op zichzelf geen plichtsverzuim oplevert. Ook is, zoals appellant heeft gesteld, niet gebleken van enige gunst die appellant van M heeft ontvangen dan wel aan M heeft verleend uit hoofde van zijn politiestatus.

Dat neemt echter niet weg dat appellant, door zich bij herhaling en welbewust te begeven in een crimineel prostitutiemilieu, een onaanvaardbaar risico heeft genomen dat conflicten zouden rijzen tussen privé- en dienstbelang. Dat dit risico niet louter denkbeeldig was, blijkt reeds uit het gegeven dat appellant uit het oogpunt van dienstbelang zijn chef had moeten informeren over zijn vermoedens inzake M’s illegale praktijken, terwijl hij feitelijk daarover heeft gezwegen en daarmee zijn eigenbelang heeft doen prevaleren. Voorts heeft de korpsbeheerder niet ten onrechte gesteld dat appellant door zich op deze wijze in te laten met een crimineel persoon die op de hoogte was van zijn politiefunctie, zich in een situatie heeft gebracht met een hoog risico van corruptie.

4.3. De Raad concludeert dat appellant met zijn gedragingen ernstig inbreuk heeft gemaakt op de eisen van betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid die aan een politie-ambtenaar gesteld mogen worden. Daarmee heeft hij zich aan zodanig ernstig plichts-verzuim schuldig gemaakt dat de straf van ontslag daaraan niet onevenredig is.

4.4. Appellant heeft ten slotte nog de stelling betrokken, dat de korpsbeheerder niet terstond voor disciplinair ontslag behoefde te kiezen, maar voor een voor appellant minder schadelijke ontslaggrond had kunnen kiezen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 18 augustus 1994, LJN AN3998 en TAR 1994, 210 en CRvB 8 april 1999, LJN ZB8228 en RAwb 1999/142), komt bij een samenloop van ontslaggronden het bestuursorgaan een zekere keuzevrijheid toe. Wel moet de grond voor de gedane keuze duidelijk kunnen worden aangetoond. Nu in het onderhavige geval duidelijk sprake is van plichtsverzuim en er geen beletsel is om appellant om die reden de straf van ontslag op te leggen, ziet de Raad niet dat de korpsbeheerder van de door hem gekozen - primaire - ontslaggrond geen gebruik had mogen maken.

5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K.J. Kraan en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2008.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M.B. de Gooijer.

HD