Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD9689

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2008
Datum publicatie
08-08-2008
Zaaknummer
07-2309 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag. Schuldheling. Het voorhanden hebben en te koop aanbieden van een gestolen boot voor een politieambtenaar kan worden aangemerkt als zeer ernstig plichtsverzuim. Onderzoeksplicht naar herkomst van boot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2309 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 16 maart 2007, 06/3806 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio [naam politieregio], (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 31 juli 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2008. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. N.M.E. Verpaalen, advocaat te Waalwijk. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.F.H. Ermans, werkzaam bij de politieregio [naam politieregio].

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

1.1. Appellant heeft in juni 2005 op www.marktplaats.nl een snelle motorboot van het merk [merknaam] te koop aangeboden. Deze motorboot was kort daarvoor door hem gekocht van zijn neef F. Gebleken is dat de motorboot en de boottrailer waarop deze stond, in de nacht van 24 op 25 maart 2005 te [plaatsnaam] waren gestolen; zij zijn op 14 juni 2005 op het perceel van appellant in beslag genomen.

1.2. Na aan appellant op 28 juli 2005 het voornemen daartoe te hebben medegedeeld en nadat door appellant zijn zienswijze daarop was gegeven, heeft de korpsbeheerder bij besluit van 7 november 2005 aan appellant op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) met onmiddellijke ingang de maatregel van strafontslag opgelegd. Bij het bestreden besluit van 23 juni 2006 heeft de korpsbeheerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant niet heeft voldaan aan de op hem rustende onderzoeksplicht met betrekking tot de herkomst van de boot en dat hij niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van de hem verweten gedragingen.

3. Appellant heeft in hoger beroep zijn stelling gehandhaafd dat, hoewel hij door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij arrest van 2 maart 2007 is veroordeeld wegens schuldheling (artikel 417bis van het Wetboek van Strafrecht), zolang er geen sprake is van een onherroepelijke uitspraak (een ingesteld cassatieberoep loopt nog), niet kan worden gezegd dat er sprake is van zeer ernstig plichtsverzuim. Voorts heeft appellant betoogd dat er op hem geen onderzoeksplicht met betrekking tot de boot rustte, omdat hij niet kon weten dan wel niet kon vermoeden dat zijn neef hem een gestolen boot zou verkopen. Voorts is appellant een leek op het gebied van - de registratie van - boten en heeft hij nog maar kort een vaarbewijs. Appellant betwist nadrukkelijk dat hij niet te goeder trouw zou zijn geweest.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

4.1. De Raad stelt voorop dat weliswaar in het ambtenarentuchtrecht niet de strikte bewijsregels gelden die in het strafrecht van toepassing zijn, maar dat anderzijds ook voor de constatering van plichtsverzuim dat tot disciplinaire bestraffing aanleiding kan geven noodzakelijk is dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde, gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar zich aan de hem verweten gedragingen heeft schuldig gemaakt. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat de korpsbeheerder, ongeacht de uitkomst van de strafrechtelijke procedure, de bevoegdheid heeft om vast te stellen of sprake is van strafwaardig plichtsverzuim in de zin van artikel 76 van het Barp.

4.2. Het staat vast dat appellant een snelle motorboot voorhanden heeft gehad die door misdrijf was verkregen. De boot was voorzien van een vervalst rompnummer en een nieuw registratienummer. Hoewel de trailer, waarop de boot werd vervoerd, niet in de koop zou zijn begrepen, heeft appellant deze trailer, die eveneens door misdrijf was verkregen, ook voorhanden gehad en gebruikt. Voorts heeft appellant deze boot via het internet te koop aangeboden.

4.3. De Raad onderschrijft het oordeel van de korpsbeheerder dat het voorhanden hebben en te koop aanbieden van een gestolen boot voor een politieambtenaar kan worden aangemerkt als zeer ernstig plichtsverzuim, tenzij moet worden aangenomen dat de betrokkene geheel te goeder trouw heeft gehandeld, in die zin dat hij niet redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. De Raad onderschrijft eveneens het oordeel dat op appellant als koper van een boot als de onderhavige een zekere onderzoeksplicht rust om na te gaan of de herkomst van de boot in orde is.

4.4. De Raad is van oordeel dat reeds de enkele omstandigheid dat appellant de boot heeft gekocht van een neef van wie hij wist dat deze uitgebreide strafrechtelijke antecedenten had, hem ertoe had moeten brengen gericht te onderzoeken of zijn neef wel de recht-matige eigenaar van de boot was. Dit was nog te meer het geval nu met die boot niet de daarbij behorende registratiepapieren werden meegeleverd, de boot gedeeltelijk door zijn neef was overgespoten, en ook later pas is voorzien van het registratieteken [registratieteken].

4.5. Aan de hiervoor aangegeven onderzoeksplicht heeft appellant in geen enkel opzicht voldaan. Appellant heeft slechts gesteld dat hij op de internetsite www.gestolenboten.nl is nagegaan of de motorboot daar als gestolen was opgegeven en verder te hebben vertrouwd op de eerlijkheid van zijn neef jegens hem. Nog daargelaten dat op deze site slechts een zeer gering deel van alle gestolen boten gesignaleerd staan, zodat het niet op die site voorkomen van een boot geen enkele zekerheid geeft dat hij niet gestolen is, acht de Raad dit tegen de achtergrond van de mogelijkheden die appellant voor nader onderzoek ten dienste stonden volstrekt onvoldoende. Uit het registratiebewijs blijkt dat de boot niet op naam van zijn neef F, maar op naam van een derde was geregistreerd, hetgeen direct al vragen oproept. Appellant heeft hieromtrent gesteld dat hij slechts een gedeelte van het hem getoonde registratiebewijs heeft bekeken, zodat hem dit niet was opgevallen. Wat hiervan zij, dit kan slechts als uiterst onzorgvuldig worden aangemerkt. Opmerkelijk is ook dat appellant geen actie heeft ondernomen om de door hem aange-kochte boot op zijn naam te registeren, waartoe hij verplicht was. Ook had appellant informatie kunnen inwinnen bij de RDW of via de politieorganisatie. Zoals de rechtbank ook terecht heeft overwogen, had appellant op eenvoudige wijze door middel van het controleren van het volledige originele kentekenbewijs van de trailer (de verkoper, zijn neef F, beschikte niet over het volledige kentekenbewijs) kunnen vaststellen dat aan de recht-matige herkomst van die trailer en dus ook aan die van de boot moest worden getwijfeld.

4.6. Resumerend is de Raad tot de conclusie gekomen dat appellant niet heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem gevergd kon worden om te voorkomen dat hij een van diefstal afkomstige motorboot in zijn bezit kreeg en te koop aanbood. Juist van appellant als politieman had mogen worden verwacht dat hij alles in het werk zou stellen om te voorkomen dat hij dit risico zou lopen.

4.7. De Raad acht het bij het bestreden besluit gehandhaafde ontslagbesluit, gezien de aard en ernst van de gedragingen en de betekenis hiervan voor het functioneren van appellant binnen de politiedienst en de terecht gestelde eisen met betrekking tot betrouwbaarheid en integriteit van medewerkers van die dienst, niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim. Daarbij heeft de Raad tevens in aanmerking genomen dat, zoals door de korpsbeheerder onweersproken is gesteld, appellant in 2004 reeds eerder disciplinair is gestraft onder meer wegens het verstrekken van kentekengegevens aan een garagehouder, dat appellant toen ook een verbod is opgelegd ten aanzien van nevenwerk-zaamheden, bestaande uit het handelen in auto’s in samenwerking met een autobedrijf waarvan de eigenaar een twijfelachtige reputatie had, en dat appellant bij de aanvang van zijn werkzaamheden in het district Tilburg in januari 2005 door de districtschef erop is gewezen dat hij “op zijn tellen moest passen en zich niet in grijs gebied moest begeven.” Tegen deze achtergrond is begrijpelijk dat appellant door zijn nalatig handelen met betrekking tot de aankoop en verkoop van de gestolen snelle motorboot het noodzakelijke door de dienstleiding in zijn integriteit te stellen vertrouwen heeft verspeeld.

5. Gelet op het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K.J. Kraan en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2008.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M.B. de Gooijer.

HD