Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD9567

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-08-2008
Datum publicatie
07-08-2008
Zaaknummer
06-6771 ZFW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vergoeding hele knie-prothese. Aanvraag betrof plaatsing van een halve knie-prothese. Omvang geding. Geen procesbelang. Niet-ontvankelijkverklaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6771 ZFW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van :

[appellante], (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 25 oktober 2006, 06/1092 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen :

appellante

en

de onderlinge waarborgmaatschappij Centrale Zorgverzekeraars groep, Zorgverzekeraar U.A., als rechtsopvolgster van de Stichting Centrale Zorgverzekeraars, (hierna: CZ), gevestigd te Tilburg

Datum uitspraak: 6 augustus 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante, heeft mr. drs. H.M.G. Duijsters, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

CZ heeft een verweerschrift ingediend.

Zowel CZ als appellante hebben nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2008. Appellante was aanwezig, bijgestaan door mr.drs. Duijsters. CZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Baytemir, juridisch medewerker bij CZ.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, geboren op 18 oktober 1928, heeft zich in verband met sinds 2004 bestaande knieklachten onder behandeling gesteld van verschillende zorgverleners.

1.2. Bij aanvraagformulier van 2 februari 2005 heeft appellante aan CZ verzocht om toestemming voor implantatie van een halve knie-prothese door prof. dr. M. Martens, verbonden aan de Eeuwfeestkliniek Monica te Antwerpen (België).

1.3. CZ heeft deze aanvraag bij besluit van 4 februari 2005 afgewezen.

1.4. Op 6 juni 2005 is appellante door prof. dr. Martens geopereerd.

1.5. CZ heeft het bezwaar tegen het besluit van 4 februari 2005 bij besluit van 21 maart 2006 overeenkomstig het advies van het College voor zorgverzekeringen (hierna: Cvz) van 10 maart 2006 ongegrond verklaard. Daarbij heeft CZ zich - onder verwijzing naar de bevindingen van de medisch adviseur H. Janssen van CZ van 4 en 31 mei 2005 - op het standpunt gesteld dat een medische indicatie voor de aangevraagde halve knie-prothese ontbreekt.

2.1 De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 21 maart 2006 bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

2.2. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en CZ heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

2.3. Appellante heeft op 22 februari 2008 een brief van prof. dr. Martens van 21 februari 2008 ingezonden waarin het volgende is vermeld:

‘Patiënte werd gezien op 30/3/2005 en werd geopereerd op 6/6/2005 in verband met uitgesproken knieklachten en beperking van functie en beweeglijkheid van de rechter knie. Bij deze patiënte werd aanvankelijk geopteerd voor een unicompartimenteel implantaat. Gezien deze ingreep bleek dat ook het andere compartiment reeds arthrotische veranderingen vertoonde, werd geopteerd voor een bicompartimentaal knie-implantaat.’

3.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.2. De Raad stelt vast dat appellante door middel van haar aanvraag toestemming aan CZ heeft gevraagd voor plaatsing van een halve knie-prothese door prof. dr. Martens. Uit diens door appellante ingezonden brief van 21 februari 2008 en uit hetgeen ter zitting van de Raad door partijen naar voren is gebracht, blijkt dat bij appellante op 6 juni 2005 niet een halve knie-prothese maar een hele knie-prothese is geplaatst.

3.3. De Raad stelt vast dat CZ bij zijn beoordeling is uitgegaan van de aangevraagde halve knie-prothese. De medisch adviseur H. Janssen, die werkzaam is bij CZ, heeft zich blijkens haar rapportages van 4 mei en 31 mei 2005 gericht op de (medische) beoordeling van een halve knie-prothese en niet op de door prof. dr. Martens verrichte hele knie-prothese. Janssen heeft bij haar beoordeling informatie berokken van de behandelend artsen en de fysiotherapeut van appellante, alsmede een publicatie uit het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. Op basis hiervan is zij tot de conclusie gekomen dat een medische indicatie voor een halve knie-prothese ontbreekt.

3.4. Op grond van de beschikbare gegevens stelt de Raad vast dat appellante vergoeding wenst van de behandeling door prof. dr. Martens waarbij een hele knie-prothese is geplaatst. Nu de aanvraag plaatsing van een halve knie-prothese betrof en het besluitvormingsproces was gebaseerd op plaatsing van een halve knie-prothese komt de Raad tot het oordeel dat de vraag of de hele knie-prothese door CZ vergoed dient te worden de grenzen van dit geding, dat betrekking heeft op vergoeding van plaatsing van een halve knie-prothese, te buiten gaat.

3.5. Aangezien appellante geen procesbelang heeft bij een beoordeling van de juistheid van het standpunt van CZ over de halve knie-prothese, dient het hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard. Zulk een belang is in het bijzonder niet gelegen in schadevergoeding, nu appellante geenszins aannemelijk heeft gemaakt dat zij door het bestreden besluit schade heeft geleden.

3.6. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

3.7. Het beroep op schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) wijst de Raad af, reeds omdat, gerekend vanaf het tijdstip waarop appellante bezwaar heeft gemaakt (10 maart 2005) geoordeeld moet worden dat de redelijke termijn niet is overschreden.

3.8. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en H.C.P. Venema als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.R. Sharma als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2008.

(get.) R.M. van Male.

(get.) S.R. Sharma.

OA