Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD9287

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-08-2008
Datum publicatie
05-08-2008
Zaaknummer
06-4484 AKW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning kinderbijslag met terugwerkende kracht van één jaar. Geen aanleiding om het oorspronkelijke besluit (verdergaand) te herzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4484 AKW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats] te België (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 juni 2006, 04/5490 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 1 augustus 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2008. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.A. Buskens.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft in 2002 voor zijn [in] 2002 geboren dochter [naam dochter] kinderbijslag aangevraagd ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Deze kinderbijslag is hem bij besluit van 5 februari 2003 geweigerd op de grond dat appellant niet voor de AKW verzekerd was. De Svb ging er hierbij van uit dat appellant noch in Nederland woonachtig was, noch in Nederland inkomstenbelasting afdroeg.

1.2. Bij brief van 21 januari 2004, onder vermelding van “bezwaarschrift”, heeft appellant de Svb verzocht om toekenning van kinderbijslag, waarbij hij aanvoerde dat hij in Nederland als zelfstandig ondernemer inkomstenbelasting af droeg en derhalve verzekerd geacht moest worden voor de AKW.

1.3. De Svb heeft de brief van 21 januari 2004 opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 5 februari 2003 en heeft bij besluit van 26 mei 2004 aan appellant met ingang van het eerste kwartaal van 2003 kinderbijslag ten behoeve van [naam dochter] toegekend. Het op 22 juni 2004 tegen dit besluit ingestelde bezwaar is bij beslissing op bezwaar van 24 september 2004 ongegrond verklaard, aangezien de Svb de kinderbijslag reeds met de maximale terugwerkende kracht van één jaar had toegekend. Door de Svb is hierbij noch een bijzonder geval, noch hardheid aangenomen, op grond waarvan een langere terugwerkende kracht dan één jaar gerechtvaardigd zou zijn.

2. Het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep is door de rechtbank ongegrond verklaard.

3. De Raad oordeelt als volgt.

3.1. Vooropgesteld zij dat met het besluit van 5 februari 2003 van de Svb, waartegen geen rechtsmiddel is aangewend, is komen vast te staan dat appellant over het tweede kwartaal van 2002 tot en met het eerste kwartaal van 2003 geen recht op kinderbijslag had. Onder verwijzing naar zijn uitspraken van 25 november 2005 (LJN: AU6893) en van 6 september 2007 (LJN: BB6188) merkt de Raad op dat appellants aanvraag van 21 januari 2004 voor genoemde periode dient te worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het besluit van 5 februari 2003 en vanaf het tweede kwartaal van 2003 als een nieuwe aanvraag. Nu de Svb kinderbijslag heeft toegekend met ingang van het eerste kwartaal van 2003, is aan deze nieuwe aanvraag geheel tegemoet gekomen, zodat uitsluitend de reactie op appellants verzoek om terug te komen van het besluit van 5 februari 2003 ter beoordeling voorligt.

3.2. De Svb is deels teruggekomen van zijn besluit van 5 februari 2003 door kinderbijslag toe te kennen met ingang van het eerste kwartaal van 2003. Beoordeeld moet worden of de Svb verdergaand van dat besluit had moeten terugkomen.

3.3. Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan van deze bevoegdheid gebruik maakt, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de bestuursrechter in zulk geval uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het

bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit (verdergaand) te herzien.

3.4. Ter ondersteuning van zijn herhaalde aanvraag heeft appellant aangevoerd dat hij - anders dan waarvan de Svb bij zijn besluit van 5 februari 2003 is uitgegaan - belastingplichtig was voor de loonbelasting en derhalve verzekerd was voor de AKW. Daarbij gaat het echter niet om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Appellant was met dit gegeven immers zelf bekend en had dit indertijd in een bezwaarprocedure kunnen aandragen. De Raad kan appellant niet volgen in zijn stelling dat hij er niet van op de hoogte kon zijn dat dit gegeven van belang was voor zijn aanvraag. Wat daarvan ook zij, de Raad stelt vast dat indien appellant het aanvraagformulier voor de kinderbijslag correct had ingevuld, ook de Svb kennis had kunnen dragen van het feit dat appellant in Nederland aan de loonbelasting onderworpen was. Daarvan uitgaande kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat de Svb niet in redelijkheid tot zijn bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

3.5. Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2008.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) W. Altenaar.

OA