Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD9150

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-07-2008
Datum publicatie
01-08-2008
Zaaknummer
06-6328 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Duuraanspraak. Verzoek om terug te komen. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2008/366
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6328 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 21 september 2006, 05/625 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Justitie (hierna: minister)

Datum uitspraak: 24 juli 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2008. Namens appellant is verschenen mr. D. van Zoelen, juridisch adviseur te Waddinxveen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.D. Aiken, juridisch adviseur te ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Na een reorganisatie is appellant niet geplaatst in de door hem voordien uitgeoefende functie van unitdirecteur bij de Penitentiaire Inrichting (hierna: P.I.) Veenhuizen, maar aangewezen als herplaatsingskandidaat. Vanwege persoonlijke omstandigheden is met appellant overeengekomen dat zijn positie als herplaatsingskandidaat wordt gehandhaafd tot zijn FLO-datum op 1 augustus 2004 en dat hij vanaf 17 juni 2002 werkzaamheden voor de P.I. Noord gaat uitvoeren ter ondersteuning van het projectteam Nieuwbouw P.I. Noord. Overeengekomen is voorts dat appellant is ontheven van de verplichting tot het zoeken van een andere passende functie en dat de algemeen directeur van de P.I. Veenhuizen hem geen passende functie hoeft aan te bieden. In de brief van 12 juli 2002 waarin deze afspraken zijn bevestigd is tevens opgenomen dat de bezoldiging van appellant als gevolg van deze detachering niet verandert. Nadien is appellant met terugwerkende kracht vanaf 3 mei 2002 formatief geplaatst in de projectenpool DJI/GW.

1.2. Bij brief van 5 februari 2004 heeft appellant melding gemaakt van het feit dat hij in maart 2002 voor het laatst een toeslag voor bereikbaarheid en beschikbaarheid (hierna: toelage b&b) heeft ontvangen en in april 2002 voor het laatst een toeslag voor onregelmatige diensten (hierna: tod). Waar in de brief van 12 juli 2002 is vastgelegd dat zijn bezoldiging als herplaatsingskandidaat niet verandert, dient volgens appellant tot de bezoldiging tevens gerekend te worden de toelage b&b en de tod.

1.3. De minister heeft bij brief van 4 mei 2004 aangegeven dat appellant vanaf april 2002 geen aanspraak meer kan maken op toeslag b&b en op tod, omdat appellant niet meer in onregelmatige diensten werkt en zich evenmin bereikbaar en beschikbaar moet houden, en omdat geen afwijkende afspraken zijn gemaakt over het handhaven van de genoemde toelagen tijdens de werkzaamheden binnen het project nieuwbouw P.I. Noord. Dit besluit is na bezwaar van appellant gehandhaafd bij het bestreden besluit van 28 april 2005. In dat besluit is bij de motivering onderscheid gemaakt tussen de beweerde aanspraken over de periode voorafgaand aan het verzoek en de beweerde aanspraken over de periode vanaf het verzoek.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd het volgende.

3.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de rechtbank op goede gronden heeft aangenomen dat - indien de toelagen moeten worden doorbetaald - de beweerde aanspraak van appellant op betaling van de toelagen b&b en tod een duuraanspraak is en dat met betrekking tot de beweerde aanspraak van appellant voorafgaand aan zijn verzoek, sprake is van een verzoek om terug te komen van een als rechtens onaantastbaar aan te merken besluit om de betaling van de voorheen toegekende toelagen te staken. De Raad sluit zich daarbij aan.

3.2. Een bestuursorgaan is naar vaste jurisprudentie in het algemeen bevoegd een verzoek van een belanghebbende om van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen, inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan een terzake ingesteld beroep echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook de oorspronkelijke afwijzing tot uitgangspunt te nemen.

In gevallen als het onderhavige, waarin een duuraanspraak in het geding is, is het voorts aangewezen bij de toetsing een onderscheid te maken tussen het verleden en de toekomst (CRvB 1 februari 2001, LJN AB0250 en TAR 2001, 43). Wat betreft de periode voorafgaande aan het verzoek om terug te komen, dient de bestuursrechter zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Wat betreft de periode daarna moet een minder terughoudende toetsing worden gehanteerd. Daarbij zal het bij een duuraanspraak in de regel niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zijn dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend blijvend aan de verzoeker wordt tegengeworpen. Eerbiediging van de rechtszekerheid, waarop immers ook het bestuursorgaan aanspraak kan maken, is voor de toekomst van minder belang dan voor het verleden.

3.3. Met betrekking tot de periode na het verzoek van appellant stelt de Raad vast dat op grond van artikel 2, aanhef en onder f, van het BBRA onder bezoldiging wordt verstaan:

de som van (onder meer) het salaris en de toelagen genoemd in hoofdstuk III, waarop de ambtenaar aanspraak heeft. Ten tijde dat hij nog werkzaam was als unitdirecteur ontving appellant, afhankelijk van daadwerkelijk verrichte diensten en uitbetaald na indiening van declaraties, in hoogte wisselende bedragen aan toeslag b&b en tod. Deze toeslagen zijn genoemd in hoofdstuk III van het BBRA. Na 1 januari 2002 heeft appellant geen bereikbaarheids- en beschikbaarheidsdiensten en geen onregelmatige diensten meer gedaan, zodat hij op grond van het BBRA geen aanspraak op de toeslag b&b en de tod kan maken.

Appellant heeft zijn stelling dat expliciet is afgesproken dat de toeslag b&b en de tod zou worden doorbetaald tijdens zijn detachering niet onderbouwd. Bij zijn beoordeling heeft de Raad mede betrokken dat een dergelijke afspraak gevolgd zou moeten zijn door de vaststelling van vaste toeslagen per maand, gelet op de eerdergenoemde omstandigheid dat appellant in hoogte wisselende toelagen ontving.

3.4. Het vorenstaande betekent tevens dat niet valt in te zien dat sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden op grond waarvan de minister niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren om van het oorspronkelijke besluit terug te komen wat betreft het tijdvak voorafgaande aan de indiening van het verzoek.

Ook anderszins heeft de Raad in hetgeen is aangevoerd geen grond gevonden voor het oordeel dat de minister bij het nemen van het bestreden besluit heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

4. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en M.C. Bruning en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2008.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) K. Moaddine.

HD

26.06