Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD9123

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-07-2008
Datum publicatie
01-08-2008
Zaaknummer
08-467 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag. Betrokkene wist dan wel op zijn minst had kunnen weten dat het door hem gekochte en aan S. geleverde mes - een vlindermes met dubbele snijkant - een verboden mes was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2008/373
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/467 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Minister van Justitie (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 14 december 2007, 06/1468 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 17 juli 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door H.J. Kleine en mr. A. Boekhoudt, beiden werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. H.K. de Haan, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene was sinds december 1997 werkzaam bij de IND, laatstelijk in de functie van casemanager bij het project Terugkeer. Op 15 februari 2006 heeft hij in een gesprek met de plaatsvervangend unitmanager C.B. de vraag gesteld of binnen de IND alle nevenwerkzaamheden gemeld moeten worden en daarbij aangegeven dat hij sinds jaren messen verzamelt en daarin sinds enige tijd ook handelt. Enige dagen later heeft betrokkene in een telefoongesprek met de unitmanager A.B. gemeld dat hij C.B. niet heeft verteld dat hij een mes aan iemand heeft geleverd, waarvan hij aanvankelijk dacht dat het legaal was, maar waarover hij inmiddels twijfelde. In overleg met A.B. heeft appellant contact opgenomen met het Bureau Veiligheid & Integriteit (hierna: BV&I) en vervolgens op 20 februari 2006 aan A.B. en het BV&I schriftelijk weergegeven hoe de aan- en verkoop van het desbetreffende mes, een vlindermes met dubbelzijdig snijvlak, heeft plaatsgevonden.

1.2. Toen vervolgens op 25 februari 2006 in het Algemeen Dagblad een artikel werd geplaatst over een ambtenaar van Justitie die in (mogelijk illegale) wapens zou handelen en dit dagblad aankondigde dat op televisie op 28 februari 2006 over dat onderwerp een uitzending van SBS 6 zou volgen, is aan betrokkene in een op 27 februari 2006 gehouden gesprek een besluit van diezelfde datum overhandigd waarbij hem met onmiddellijke ingang de toegang tot de gebouwen van de IND is ontzegd. Daarbij is aangegeven dat opdracht is verstrekt aan het BV&I om een onderzoek te doen naar de omvang en toelaatbaarheid van de activiteiten van betrokkene in relatie tot zijn aanstelling en functioneren als ambtenaar binnen de IND-organisatie. In aansluiting op dit gesprek heeft appellant een aanvulling op zijn eerdere verhaal toegezonden aan A.B. en het BV&I.

1.3. Na de uitzending van het tv-programma “Undercover in Nederland” op 28 februari 2006, waarin onder meer is te zien dat appellant zittend in een auto voor het IND-gebouw te Zwolle een vlindermes levert aan, zoals later is gebleken, de journalist S. en waaruit volgens appellant valt te concluderen dat betrokkene zich bewust was van het strafbare karakter van zowel het bezit als het verhandelen van dit soort messen, dat hij hierin regelmatig handelt, dat hij deze illegale messen invoert en daartoe de douanecontrole omzeilt door deze messen met andere - wel toelaatbare - messen aan hem toe te laten zenden, waarbij op de verpakking een andere aanduiding is te vinden dan de daadwerkelijke inhoud van de pakketten, is bij brief van 9 maart 2006 het voornemen tot strafontslag kenbaar gemaakt. Betrokkene wordt tevens verweten dat hij niet (tijdig) zijn nevenactiviteiten aan zijn leidinggevende heeft gemeld en dat hij niet direct volledige openheid van zaken heeft gegeven.

1.4. Nadat betrokkene zijn bedenkingen tegen het voorgenomen strafontslag kenbaar had gemaakt, heeft appellant bij besluit van 20 juni 2006 betrokkene met ingang van 1 juli 2006 de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Na bezwaar is dit besluit gehandhaafd bij het bestreden besluit van 22 november 2006.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken dat betrokkene op het moment van de verkoop van het mes aan de journalist wist dat dit illegaal was, dat niet is gebleken van een directe relatie tussen de aan betrokkene verweten gedragingen en de aard van zijn werkzaamheden en dat niet is gebleken dat betrokkene pas informatie aan appellant is gaan verschaffen nadat hij van de aanstaande uitzending op de hoogte was geraakt. Volgens de rechtbank had appellant moeten volstaan met een voorwaardelijk ontslag.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Voldoende staat vast dat betrokkene ten tijde hier van belang al geruime tijd (legale) messen verzamelde, dat hij op internet messen uit zijn verzameling te koop aanbood en dat hij hiervan op 15 februari 2006 melding heeft gemaakt aan zijn leidinggevende C.B. Verder staat vast dat betrokkene al lange tijd beschikte over één verboden mes en dat hij eind 2005 een verboden mes heeft ingevoerd, waarbij de invoerregels van goederen niet zijn nageleefd dan wel omzeild, en dat hij dit mes vervolgens in een auto voor een gebouw van de IND heeft geleverd aan een koper. Betrokkene heeft aan die koper ook kenbaar gemaakt dat hij medewerker is van de IND.

3.1.1. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat betrokkene wist dan wel op zijn minst had kunnen weten dat het door hem gekochte en aan S. geleverde mes - een vlindermes met dubbele snijkant - een verboden mes was. In zijn relaas van 20 februari 2006 aan A.B. en het BV&I heeft betrokkene gemeld dat het door S. gewenste mes een mes was dat verboden was. Hij heeft daar zelfs aan toegevoegd dat je als je de wapenwet opslaat ziet dat het mes onder categorie I valt. Ook in zijn bij de politie afgelegde verklaring heeft betrokkene toegegeven dat naar zijn kennis op het moment van verkoop het door S. verlangde mes verboden was. Dat betrokkene uit het feit dat een Nederlandse webwinkel een soortgelijk mes te koop aanbood is gaan twijfelen aan het verboden zijn van het mes is niet geheel onvoorstelbaar. In een dergelijke situatie ligt het echter op de weg van betrokkene om bij een ter zake kundige navraag te doen naar de al dan niet geoorloofdheid van het mes. Door dit na te laten en door mee te werken aan het niet naleven dan wel omzeilen van de invoerregels door de juiste inhoud van het ingevoerde pakje niet (volledig) weer te geven is voor de Raad in voldoende mate aannemelijk dat betrokkene wist, althans in elk geval had kunnen weten dat het aan S. geleverde mes een verboden mes was.

3.1.2. Met de rechtbank is de Raad overigens van oordeel dat betrokkene weliswaar pas op een laat moment min of meer volledige openheid van zaken heeft gegeven, maar dat niet genoegzaam is gebleken dat betrokkene die openheid later wel is gaan geven omdat bij hem de druk steeds groter werd naarmate het moment van de uitzending dichterbij kwam. Niet is immers komen vast te staan dat betrokkene op 18 februari 2006, de dag waarop hij de aan- en verkoop van het verboden mes heeft gemeld aan A.B., op de hoogte was van de toen aanstaande uitzending van “Undercover in Nederland”.

3.1.3. Naar het oordeel van de Raad leveren de in 3.1. tot en met 3.1.2. vastgestelde feiten plichtsverzuim op en is dat plichtsverzuim betrokkene volledig aan te rekenen.

3.2. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig is aan het door betrokkene gepleegde plichtsverzuim. Met appellant is de Raad, gelet op de in het hoger beroepschrift neergelegde argumenten, van oordeel dat betrokkene het vertrouwen dat appellant in hem had onherstelbaar heeft geschaad en dat hij niet meer geloofwaardig als casemanager kan functioneren. In die functie hield appellant zich bezig met uitzetprocedures betreffende illegaal in Nederland verblijvende asielaanvragers. Een casemanager voert beroepshalve gesprekken met uitgeprocedeerde vreemdelingen en wijst hen, waar nodig, op hun onrechtmatige aanwezigheid, hun verantwoordelijkheid ten aanzien van terugkeer naar het land van herkomst en eventueel ongeoorloofd handelen tijdens de asielprocedure.

Bovendien heeft een casemanager zeer frequent contact en overleg met ketenpartners, zoals de politie. Professionele integriteit is een van de kerncompetenties van de functie van casemanager. Het betreft ook een functie waarin zeer zelfstandig wordt opgetreden hetgeen onderstreept dat op de betrouwbaarheid van de functiebekleder volledig moet kunnen worden gebouwd.

Het feit dat betrokkene niet op eigen initiatief tot de aan- en verkoop van een verboden mes is overgegaan maakt het plichtsverzuim niet minder ernstig, omdat betrokkene zijn grenzen zelf moet bewaken en volledig verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn eigen daden.

De meergenoemde uitzending van “Undercover in Nederland” heeft voorts het aanzien van de IND en het ministerie van Justitie geschaad. Het argument dat betrokkene niet zelf voor bekendmaking heeft gezorgd doet daaraan niet wezenlijk af.

4. Gelet op het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak worden vernietigd en het beroep ongegrond worden verklaard.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en M.C. Bruning en T. van Peijpe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2008.

(get.) J.Th. Wolleswinkel.

(get.) K. Moaddine.

HD

30.06