Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD9103

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2008
Datum publicatie
01-08-2008
Zaaknummer
08-3322 WWB-VV + 08-3215 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Fraudevordering. Vaststelling aflossingsverplichting per maand. Beleid gemeente. Afwijzing voorlopige voorziening. Bodemprocedure 08/3215 WWB is bij uitspraak van 27-11-2008, LJN BG5526 vervallen verklaard.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 259
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3322 WWB-VV

08/3215 WWB (deze bodemprocedure is vervallen verklaard bij uitspraak van 27-11-2008, LJN BG5526).

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, en artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

[verzoekster] (hierna: verzoekster),

in verband met het hoger beroep van:

verzoekster

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 29 april 2008, 07/1063 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoekster

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordoostpolder (hierna: College).

Datum uitspraak: 31 juli 2008

I. PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Verzoekster heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 29 juli 2008, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.2. Ingevolge artikel 8:86 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

1.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. De voorzieningenrechter gaat in dit geding uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1. Verzoekster heeft bijstand ontvangen van 1 oktober 1998 tot 1 november 2001.

Bij besluit van 23 augustus 2002 heeft het College de bijstand herzien (lees: ingetrokken) over de periode van 1 juli 1999 tot en met 31 oktober 2001 en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 28.892,79 van haar teruggevorderd. Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar heeft het College bij besluit van 2 september 2003 ongegrond verklaard. Tegen het besluit van 2 september 2003 is geen beroep ingesteld.

2.2. Op basis van door verzoekster verstrekte informatie heeft het College bij besluit van 23 maart 2007 verzoekster een aflossingsverplichting opgelegd van € 200,-- per maand, ingaande 1 april 2007. Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar heeft het College bij besluit van 29 mei 2007 ongegrond verklaard en een verzoek om vergoeding van in bezwaar gemaakte kosten afgewezen.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het besluit van 29 mei 2007 ingestelde beroep ongegrond verklaard en daartoe in hoofdzaak overwogen:

“De gemeente Noordoostpolder heeft haar beleid inzake debiteuren vastgelegd in het Debiteurenbeleid WWB 2006. Ten aanzien van fraudevorderingen voert de gemeente het beleid dat op elke schuld minimaal 60 termijnen moeten worden afgelost, 36 x maximaal het voor beslag vatbare deel (inkomen boven 90% geldende bijstandsnorm) en 24 x 6% van de geldende bijstandsnorm + 50% van het meerinkomen. Daarnaast moet minimaal 20% van de totale schuld worden terugbetaald.

Naar het oordeel van de rechtbank blijft dit beleid binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. In het bijzonder acht de rechtbank verweerders beleid dat bij het vaststellen van het af te lossen bedrag rekening wordt gehouden met een beslagvrije voet van 90% van de bijstandsnorm niet in strijd is met de redelijkheid.

In het onderhavige geval is verweerder bij de vaststelling van het aflossingsbedrag uitgegaan van 6% van de voor eiseres geldende bijstandsnorm, in verband waarmee voor eiseres een beslagvrije voet van 94% van de bijstandsnorm resteert. Rekening is gehouden met extra woonlasten, extra premiekosten en bijzondere ziektekosten. Verweerder heeft aldus naar het oordeel van de rechtbank correct uitvoering gegeven aan haar beleid.

Eiseres heeft geen gegevens overgelegd waaruit zou moeten blijken dat bij de berekening van de aflossingscapaciteit van onjuiste gegevens is uitgegaan.

Met betrekking tot door eiseres genoemde kosten, zoals de kosten in verband met het lidmaatschap van de bond, de kosten van de uitvaartverzekering en de kosten in verband met het gebruik van de computer, volgt de rechtbank het oordeel van verweerder dat er sprake is van normale bestaanskosten welke eiseres geacht moet worden uit het ter beschikking staande inkomen te kunnen voldoen.

De door eiseres ter terechtzitting van de rechtbank aangegeven extra uitgaven in verband met een bril aangeschaft in november 2007, medicijngebruik in december 2007, verhoging van ziektekostenpremie 2008 en een eigen bijdrage van € 150,--, betreffen kosten gemaakt na de vaststelling van het aflossingsbedrag in maart 2007. Met deze kosten heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht geen rekening gehouden.

Met betrekking tot de kosten van medicijnen en een bril heeft verweerder in zijn reactie van 28 januari 2008 meegedeeld dat met deze kosten ook voor 2008 geen rekening kan worden gehouden omdat deze kosten (gedeeltelijk) onder de vergoeding van de zorgverzekering vallen. Ook met een verplichte eigen risico (algemene kosten) en/of vrijwillig eigenrisico, waarvoor eiseres zelf heeft gekozen kan verweerder geen rekening houden. Bovendien zijn het kosten die achteraf vastgesteld zouden kunnen worden. Er is in het geval van eiseres overigens rekening gehouden met een hoger dan gemiddelde zorgverzekeringspremie. De rechtbank sluit zich aan bij de reactie zoals weergegeven in de genoemde brief van 28 januari 2008.

Met betrekking tot de aflossing aan de Onderwijsbond heeft verweerder meegedeeld dat de schuld aan de Onderwijsbond is ontstaan na de vordering van de gemeente. Verweerder hoeft met deze schuld geen rekening te houden, aangezien verweerders vordering preferent is aan die van de Onderwijsbond, in verband waarmee de aflossing van de vordering van verweerder voorgaat.

De rechtbank is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat op grond van artikel 4:84 van de Awb van het beleid van verweerder ter zake wordt afgeweken.”

4. Verzoekster heeft dit oordeel in hoger beroep gemotiveerd bestreden.

5.1. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de rechtbank in dit geding terecht voorbij is gegaan aan al hetgeen verzoekster heeft gesteld omtrent de terugvordering, nu verzoekster geen beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 2 september 2003 inzake de terugvordering. Dit heeft namelijk tot gevolg dat dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden. Deze constatering brengt tevens mee dat hier ter beoordeling van de bestuursrechter staat:

(i) of het College met zijn Debiteurenbeleid WWB 2006 binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is gebleven en jegens verzoekster in overeenstemming met dit invorderingsbeleid heeft gehandeld en zo ja,

(ii) of er grond is voor het oordeel dat het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 van de Awb, in afwijking van zijn invorderingsbeleid geheel of gedeeltelijk van invordering had moeten afzien.

5.2. Deze vragen zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter door de rechtbank juist beantwoord. Met de strekking van de hierboven weergegeven overwegingen kan worden ingestemd. De voorzieningenrechter voegt daar nog het volgende aan toe.

5.2.1. Uit de gedingstukken blijkt dat de terugvordering gebaseerd is op het door verzoekster niet nakomen van de in artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet neergelegde verplichting tot het verstrekken van inlichtingen, zoals vermeld in het besluit van 23 augustus 2002. Dat betekent dat hier het beleid van het College inzake invordering van zogeheten fraudevorderingen van toepassing is. De voorzieningenrechter kent in dit verband geen doorslaggevende betekenis toe aan het gegeven dat het Openbaar Ministerie heeft afgezien het instellen van strafvervolging tegen verzoekster. Volgens vaste rechtspraak van de Raad gaat de bestuursrechter bij de beoordeling van de aan de orde zijnde rechtsvragen uit van een eigen vaststelling en waardering van de zich voordoende feiten en omstandigheden en is hij hierbij niet gebonden aan het oordeel van het Openbaar Ministerie.

5.2.2. Verder merkt de voorzieningenrechter op dat hij in de door verzoekster overgelegde verklaring van de arts P.W. Mulder van 8 december 2007 en in hetgeen verzoekster overigens in haar hoger-beroepschrift omtrent haar persoonlijke omstandigheden naar voren heeft gebracht onvoldoende grond ziet voor het oordeel dat het College van invordering had moeten afzien.

5.2.3. De gedingstukken bieden evenmin grond voor de stelling dat in dit geval sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel.

5.2.4. Voor zover verzoekster in haar brief van 20 juli 2008 ten slotte verwijst naar extra (ziekte)kosten die haar aandoening thans of in de toekomst met zich brengen tasten deze de rechtmatigheid van het door het College gehandhaafde besluit van 23 maart 2007 tot invordering van € 200,-- per maand ter aflossing van haar schuld aan het College niet aan. Wel kunnen deze kosten mogelijk reden zijn om een verzoek om aanpassing van het vastgestelde aflossingsbedrag bij het College in te dienen. Indien verzoekster daartoe overgaat is het aan haar om deze kosten (voor zover dat nog niet is gebeurd) met bewijsstukken nader te onderbouwen en vervolgens aan het College om de betekenis daarvan in het kader van zijn invorderingsbeleid te beoordelen.

5.3. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Onder die omstandigheden bestaat geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening.

7. De voorzieningenrechter stelt vast dat het verzoek om vergoeding van in bezwaar gemaakte kosten terecht is afgewezen, omdat niet aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 7:15 van de Awb is voldaan. Gezien het vorenstaande bestaat er evenmin aanleiding voor een bepaling omtrent het griffierecht en voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

in de hoofdzaak:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

op het verzoek om voorlopige voorziening:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2008.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) A. Badermann.

AB