Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD8980

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-07-2008
Datum publicatie
01-08-2008
Zaaknummer
07-1468 WWB + 07-1469 WWB + 07-1470 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schending inlichtingenverplichting. Is het recht op bijstand vast te stellen? Is de herkomst van de gelden die tot veelvuldige financiële transacties hebben geleid duidelijk?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1468 WWB

07/1469 WWB

07/1470 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Spijkenisse (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 29 januari 2007, 06/2435, 06/2437 en 06/2438 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Naam betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 29 juli 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. V.S. Waterval, advocaat te Spijkenisse, een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft desgevraagd nog stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door P. van der Pols, werkzaam bij de gemeente Spijkenisse. Betrokkene is verschenen, met bijstand van mr. Waterval.

II. OVERWEGINGEN

1. Betrokkene heeft met ingang van 8 januari 1997 vanwege appellant bijstand ontvangen naar de norm voor een alleenstaande ouder. Met ingang van 1 april 2004 heeft appellant de bijstand beëindigd omdat betrokkene toen is gaan samenwonen met haar partner.

1.1. Naar aanleiding van een tip heeft appellant een nader onderzoek ingesteld naar de financiële situatie van betrokkene. Daaruit is onder meer gebleken dat betrokkene een aantal op haar naam staande en twee op naam van haar (minderjarige) dochter staande bankrekeningen niet aan appellant had opgegeven. Voorts is uit het onderzoek gebleken dat op de rekeningen van betrokkene ten tijde hier van belang veelvuldig kasstortingen hebben plaatsgevonden tot een totaalbedrag van ongeveer € 20.000,--. Betrokkene heeft daaromtrent op 29 maart 2005 een verklaring afgelegd ten overstaan van de sociale recherche. De bevindingen en conclusies van het onderzoek zijn vervat in rapporten van 12 april 2005 en 22 juni 2005.

1.2. Bij besluit van 28 juni 2005 heeft appellant de bijstand van betrokkene met ingang van 18 maart 1999 ingetrokken.

1.3. Bij besluit van 8 juli 2005 heeft appellant de over de periode van 18 maart 1999 tot en met 31 maart 2004 gemaakte kosten van bijstand van betrokkene teruggevorderd.

1.4. Bij afzonderlijke besluiten van 25 april 2006 heeft appellant de bezwaren tegen de besluiten van 28 juni 2005 en 8 juli 2005 ongegrond verklaard. Appellant heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat betrokkene de inlichtingenverplichting heeft geschonden door onvoldoende duidelijkheid te verschaffen omtrent haar financiële situatie en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand met ingang van 18 maart 1999 niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de besluiten van 25 april 2006 gegrond verklaard en die besluiten vernietigd. Daartoe heeft de rechtbank, kort samengevat, overwogen dat het vermoeden van appellant dat betrokkene meer inkomsten heeft gegenereerd dan uit de kasstortingen volgens de bankafschriften blijkt, niet op concrete feitelijke gegevens berust. Nu niet is gebleken dat betrokkene over een onbekende, externe geldbron beschikte, is appellant ten onrechte overgegaan tot het volledig intrekken van de bijstand, in plaats van de hoogte van de bijstand af te stemmen op de bedragen van de kasstortingen dan wel het vermogen van betrokkene, aldus de rechtbank.

2.1. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1. Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkene de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen mededeling te doen van op haar naam en op naam van haar minderjarige dochter staande bankrekeningen en de daarop staande tegoeden en van de door haar vader en zus gestorte bedragen op de bankrekeningen ten name van haar dochter. Wel in geschil is of er voldoende gegevens voorhanden zijn om het recht op bijstand van betrokkene ten tijde hier van belang te kunnen vaststellen en met name of betrokkene voldoende duidelijkheid heeft verschaft omtrent de herkomst van de gelden die tot veelvuldige financiële transacties hebben geleid.

3.2. Betrokkene heeft ter zake van die transacties verklaard dat het ging om het opnemen en weer terugstorten van haar eigen geld van de ene naar de andere bankrekening. Zij heeft volgens haar verklaringen geschoven met het geld dat zij overhield na de betaling van haar maandelijks terugkerende vaste lasten, met dien verstande dat zij geld van haar bankrekening opnam en vervolgens na besteding daarvan een deel van dat bedrag weer op een van haar andere rekeningen terugstortte. De hoogte van de opgenomen bedragen was volgens betrokkene afhankelijk van wat zij dacht aan geld nog nodig te hebben en het teruggestorte bedrag was hetgeen betrokkene dan overhield. Betrokkene heeft geen gegevens ter verifiëring en onderbouwing van deze verklaring overgelegd.

3.3. Met appellant is de Raad van oordeel dat betrokkene het vermoeden van het bestaan van een of meer andere inkomstenbronnen met de door haar gegeven verklaringen niet heeft kunnen ontkrachten. Zo hebben de betreffende geldtransacties op betrekkelijk onregelmatige tijdstippen plaatsgevonden, althans niet steeds na de maandelijkse betalingen van haar bijstandsuitkering. Bovendien acht de Raad het, met name gelet op de steeds wisselende en niet systematisch te verklaren hoogte van de opgenomen en gestorte bedragen, niet geloofwaardig dat die transacties niet zouden zijn verricht met behulp van een externe geldbron, doch uitsluitend met het eigen (spaar)geld van betrokkene dat zij overhield van haar bijstandsuitkering.

3.4. Gelet op het onder 3.3 overwogene kan de Raad het standpunt van appellant dat betrokkene onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft omtrent haar financiële situatie in de in geding zijnde periode onderschrijven.

3.5. De Raad is derhalve, anders dan de rechtbank, van oordeel dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting door betrokkene niet kan worden vastgesteld of zij vanaf 18 maart 1999 recht had op bijstand.

3.6. Gelet op het onder 3.5 overwogene was appellant bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand (WWB) de bijstand in te trekken over de periode van 18 maart 1999 tot en met 31 maart 2004. In hetgeen betrokkene heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat appellant bij afweging van de hierbij rechtstreeks betrokken belangen in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot intrekking.

3.7. Uit het onder 3.6. overwogene vloeit voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat appellant bevoegd was tot terugvordering van de ten onrechte verleende bijstand. Appellant heeft gehandeld in overeenstemming met het ter zake van terugvordering gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte beleid. In hetgeen betrokkene heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan appellant, met (overeenkomstige) toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, van het beleid had moeten afwijken.

3.8. Gelet op het vorenstaande moet de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, worden vernietigd en het beroep ongegrond worden verklaard.

3.9. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en A.B.J. van der Ham en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

CB