Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD8972

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-07-2008
Datum publicatie
01-08-2008
Zaaknummer
07-2160 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatregelen: verlaging bijstand. Niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2160 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 maart 2007, 06/986 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 29 juli 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld door mr. J. Wolfert-Brouwer, advocaat te Rotterdam.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2008. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. H. Vijftigschild, advocaat te Rotterdam. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.H.K. Bruggemann, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving ten tijde hier van belang bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), in aanvulling op een arbeidsongeschiktheidsuitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Op hem rustte ingevolge artikel 9, eerste lid, van de WWB de verplichting naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden.

1.2. Bij brief van 9 augustus 2005 is appellant meegedeeld dat hem een baan kan worden aangeboden bij Roteb, en dat hij zich hiervoor op 18 augustus 2005 moet melden bij [J.] van Roteb. Tijdens die afspraak zal appellant een arbeidscontract ondertekenen en nadere informatie krijgen over de inhoud van het werk, de omvang en duur van het contract, het salaris, de plaats van tewerkstelling en de werktijden. Op 18 augustus 2005 is door Roteb schriftelijk bericht dat appellant geen contract heeft ondertekend, omdat hij geen vaste aanstelling zou krijgen maar een contract voor maximaal 6 maanden.

1.3. Daarop heeft het College bij besluit van 26 augustus 2005 (besluit 1) de bijstand van appellant over de periode van 18 augustus 2005 tot 18 september 2005 verlaagd met 100%, omdat hij nalatig is geweest door het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid.

1.4. Op 9 september 2005 is appellant in een gesprek opnieuw een baan aangeboden bij Roteb, welk aanbod appellant wederom heeft geweigerd.

1.5. Daarop heeft het College bij besluit van 13 september 2005 (besluit 2) de bijstand van appellant over de periode van 18 september 2005 tot 18 november 2005 verlaagd met 100%.

1.6. Besluit 1 en 2 zijn na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 januari 2006.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 30 januari 2006 ongegrond verklaard.

2.1. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is de belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar verplicht naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, te verkrijgen en deze te aanvaarden. Blijkens de wetsgeschiedenis van deze bepaling wordt, door geen beperkende voorwaarden te stellen aan aard en omvang van het werk en de aansluiting op opleiding en ervaring, bereikt dat een eventueel beroep op inkomensondersteuning zo kort mogelijk is. Uiteraard dient er wel gekeken te worden naar de aansluiting bij de individuele mogelijkheden van de persoon in verband met gezondheid en belastbaarheid (Kamerstukken II, 2002-2003, 28870, nr. 3, blz. 5 en 6).

3.2. Ingevolge artikel 18, tweede lid, van de WWB verlaagt het College overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b, de bijstand indien de belanghebbende naar het oordeel van het College de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt. Ten tijde hier van belang gold de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand van de gemeente Rotterdam, vastgesteld op 4 maart 2004.

3.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de gedingstukken voldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat appellant niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden.

Uit het aanmeld-/terugkoppelingsformulier van Roteb van 18 augustus 2005 kan worden afgeleid dat appellant geen contract wilde tekenen dat niet voorzag in een vast dienstverband. Voorts komt uit de stukken naar voren dat appellant niet bereid was een voltijds dienstverband te aanvaarden, omdat hij vond dat het aantal arbeidsuren moest corresponderen met zijn mate van arbeidsgeschiktheid. Beide argumenten kunnen een weigering het aangeboden werk te aanvaarden niet rechtvaardigen. Daarbij is van belang dat uit de gedingstukken niet blijkt dat appellant in verband met zijn gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid beperkt was in het aantal uren. De stelling van appellant dat hem gedurende de looptijd van de eerste verlaging niet nogmaals een werkaanbod mocht worden gedaan, vindt geen steun in de regelgeving. Ook overigens valt naar het oordeel van de Raad niet in te zien op grond waarvan op dat moment van het doen van een tweede aanbod zou moeten worden afgezien. Dit argument kan het weigeren van het tweede aanbod dan ook niet rechtvaardigen.

3.4. Ook de in hoger beroep naar voren gebrachte grief dat appellant ten tijde van het werkaanbod niet duidelijk was of bij de werkzaamheden die hij bij Roteb zou moeten verrichten rekening was gehouden met zijn beperkingen, kan niet slagen. In het gesprek van 9 augustus 2005 met een medewerker van Werkdirect is blijkens de verslaglegging daarvan ingegaan op de beperkingen van appellant en is hem verteld dat daarmee rekening zou worden gehouden. Uit meergenoemd aanmeld-/terugkoppelingsformulier blijkt dat ook Roteb op de hoogte was van het feit dat appellant gedeeltelijk arbeidsongeschikt was en eveneens van de beperkingen die blijkens een advies uit 2003 voor hem golden. Op dat formulier zijn voorts als voorbeelden van arbeid aangegeven productiewerk (niet in een stoffige ruimte), assemblagewerk en spuitgieter. Hieruit blijkt naar de Raad geenszins dat bij de aangeboden arbeid geen rekening zou worden gehouden met de beperkingen van appellant. Appellant had deze arbeid dan ook niet op voorhand mogen weigeren.

3.5. Door dit wel te doen heeft appellant in strijd gehandeld met de in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB genoemde verplichting. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat elke vorm van verwijtbaarheid ten aanzien van de gedraging van appellant ontbreekt.

3.6. Het College heeft die gedraging terecht gekwalificeerd als een gedraging van de vijfde categorie als vermeld in artikel 8, vierde lid, van de genoemde destijds geldende Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand. Op grond van artikel 6, tweede lid, aanhef en onder e, van deze verordening leidt een dergelijke gedraging tot een verlaging van de bijstand met honderd procent gedurende één maand en op grond van het derde lid van dit artikel wordt de duur of de hoogte van de maatregel verdubbeld als de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na de bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere categorie. Het College heeft overeenkomstig deze bepalingen beslist. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB in verbinding met artikel 2, derde lid, van de Afstemmingsverordening de hoogte of de duur van de verlaging afwijkend had moeten worden vastgesteld. Evenmin ziet de Raad daarin dringende redenen als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Afstemmingsverordening, zodat het College niet bevoegd was van het opleggen van een verlaging af te zien.

3.7. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak stand houdt.

3.8. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en K. Zeilemaker en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

AR