Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD8825

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-06-2008
Datum publicatie
29-07-2008
Zaaknummer
06/5963 WAO + 06/6559 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag? Maatman. Overschrijding redelijke termijn?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5963 WAO en 06/6559 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 oktober 2006, 06/679 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 juni 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I.G.M. van Gorkum, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2008. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. D.S.C. Hes, eveneens advocaat te Den Haag. Appellant heeft zich doen vergezellen van zijn woonbegeleidster [naam woonbegeleidster] en door

H.M.M. Abdel Gawad als tolk. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M. de Graaff.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Met ingang van 23 januari 1990 is aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In het kader van een herbeoordeling in verband met de aanpassing van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten per oktober 2004 is appellant op 26 januari 2005 door de verzekeringsarts J.W. Regter onderzocht. Regter heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met arbeid.

1.3. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige K.F. Florschütz vastgesteld dat het verlies aan verdiencapaciteit van appellant minder dan 15% bedraagt, gelet op het inkomen dat hij zou kunnen verdienen met de aan de schatting ten grondslag liggende functies tot het vervullen waarvan hij ondanks zijn beperkingen in staat moet worden geacht. Bij besluit van 31 mei 2005 is de WAO-uitkering van appellant per 28 juli 2005 ingetrokken.

2. Appellant heeft tegen het besluit van 31 mei 2005 bezwaar gemaakt, bij bezwaarschrift van 12 juli 2005. Op basis van dossierstudie en eigen onderzoek van appellant op 15 december 2005 is de bezwaarverzekeringsarts A. Mirza gekomen tot de conclusie dat de beperkingen van appellant niet zijn onderschat en correct zijn weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 27 april 2005. Bij besluit van 20 december 2005 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

3.1. Tegen het bestreden besluit heeft appellant beroep ingesteld.

3.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - het beroep gegrond verklaard en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het door het Uwv toegepaste artikel 10, eerste lid, onder a, van het Schattingsbesluit, zoals dat luidde op de datum die thans in geding is, onverbindend was te achten, voor zover daarin was bepaald dat de urenomvang van de maatmanarbeid ten hoogste 38 uur per week bedraagt.

3.3. De rechtbank heeft voorts overwogen dat appellant geen medische informatie in het geding heeft gebracht die doet twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de beide verzekeringsartsen. Verder was de rechtbank van oordeel dat appellant in staat was om per 28 juli 2005 de door de arbeidskundige voorgehouden functies te vervullen en dat voor zover sprake is van zogenoemde signaleringen afdoende is gemotiveerd dat er geen sprake is van overschrijding van de belastbaarheid van appellant.

4.1. Het hoger beroep richt zich tegen het onder 3.3 weergegeven oordeel van de rechtbank met betrekking tot de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

4.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onder-zoek voldoende zorgvuldig is geweest en dat de door appellant in bezwaar en beroep overgelegde medische informatie geen aanleiding geeft tot twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsarts Regter en bezwaarverzekeringsarts Mirza bereikte conclusies. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat beide artsen appellant hebben onderzocht, zij rekening hebben gehouden met zijn medische voorgeschiedenis en met de informatie van de behandelaars en dat zij verschillende beperkingen hebben aangenomen op het vlak van persoonlijk en sociaal functioneren alsook op het vlak van aanpassing aan fysieke omge-vingseisen en dynamische handelingen. Voorts acht de Raad van belang dat, zoals blijkt uit de brieven van de huisarts G.A.T.M. de Beus van 3 februari 2005 en 6 oktober 2005, er na 1989 geen diagnose op psychiatrisch gebied is gesteld. Uit deze brieven en de brief van neuroloog dr. J.Th.J. Tans blijkt verder dat er, afgezien van migraine, evenmin neurologische afwijkingen vastgesteld zijn. Voorts is van belang dat de bezwaar-verzekeringsarts Mirza tijdens het onderzoek van 15 december 2005 geen tekenen van psychopathologie heeft waargenomen.

4.3. De door appellant in hoger beroep overgelegde brief van 13 augustus 2007 van de huisarts C. van Gijn-Roeterink brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Nog daar-gelaten dat appellant klaarblijkelijk eerst ruim na de datum die thans in geding is bij deze huisarts onder behandeling kwam, bevat deze brief geen concrete aanwijzingen voor het bestaan van meer of ernstiger beperkingen dan die door de verzekeringsartsen zijn aangenomen.

4.4. Gelet op hetgeen onder 4.2 en 4.3 is overwogen, ziet de Raad geen aanleiding tot het benoemen van een deskundige om de gezondheidstoestand van appellant nader te onderzoeken.

4.5. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de geduide functies de belastbaar-heid van appellant niet overschrijden. De Raad volstaat ermee te verwijzen naar hetgeen de rechtbank ter zake heeft overwogen en stelt zich achter deze overwegingen.

4.6. In aanvulling hierop overweegt de Raad nog het volgende.

4.7. De Raad kan appellant niet volgen in zijn betoog dat functies met toeslagen voor afwijkende arbeidstijden niet geduid zouden mogen worden. Het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, zoals dat luidde op de datum in geding, laat het duiden van deze functies toe, ook wanneer in het maatmanloon niet een toeslag voor afwijkende arbeidstijden is begrepen. De Raad vermag voorts niet in te zien dat aldus een ongerecht-vaardigd onderscheid zou worden gemaakt tussen verzekerden die voordat zij arbeids-ongeschikt werden wel een dergelijke toeslag ontvingen en verzekerden die deze toeslag niet ontvingen.

5.1. Ten aanzien van het ter zitting van de Raad gedane verzoek van appellant tot vergoeding van de schade als gevolg van schending van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, Trb. 1951, 154; 1990, 156, (EVRM) overweegt de Raad het volgende.

5.2. Gelet op de datum waarop het bezwaarschrift bij het Uwv is ontvangen (13 juli 2005) en de datum waarop deze uitspraak is gedaan, is naar het oordeel van de Raad thans geen sprake van schending van de door artikel 6 van het EVRM gewaarborgde redelijke termijn waarbinnen een geschil dient te zijn beslecht. De Raad wijst het op artikel 6 van het EVRM gebaseerde verzoek tot schadevergoeding dan ook af.

5.3. De Raad komt tot de slotsom dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.4. Voor een vergoeding van de proceskosten op grond van artikel 8:75 van de Awb ziet de Raad evenmin aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en J. Brand en B. Barentsen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2008.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) W.R. de Vries.

RB