Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD8791

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-07-2008
Datum publicatie
29-07-2008
Zaaknummer
07-6028 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omzetting studiefinanciering. Woonadres wijkt af van GBA-adres. Hersteltermijn.

Wetsverwijzingen
Wet studiefinanciering 2000
Wet studiefinanciering 2000 1.5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6028 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 8 oktober 2007, 07/366 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Naam betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellante.

Datum uitspraak: 25 juli 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2008. Appellante was vertegenwoordigd door mr. drs. K. Meijer. Betrokkene is in persoon verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft met ingang van 1 september 2005 ingevolge de Wet studie-financiering 2000 (WSF 2000) studiefinanciering naar de norm voor een thuiswonende studerende aan betrokkene toegekend.

1.2. Op 14 september 2006 heeft betrokkene via internet aan appellante opgegeven dat zij vanaf 15 september 2006 niet meer bij haar ouders woont aan de [adres 1] te [woonplaats], maar aan de [adres 2] te [woonplaats]. Hierop heeft appellante met ingang van 1 oktober 2006 studiefinanciering aan betrokkene toegekend naar de norm voor een uitwonende studerende.

1.3. Bij schrijven van 10 november 2006 heeft appellante aan betrokkene meegedeeld dat na controle is geconstateerd dat het woonadres dat zij aan appellante heeft opgegeven ([adres 2] te [woonplaats]) in de maand oktober 2006 afwijkt van het adres waarop zij in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) staat ingeschreven ([adres 1] te [woonplaats]). Betrokkene is in die brief gewaarschuwd dat indien zij de afwijking niet binnen vier weken ongedaan maakt, de haar toegekende studiefinanciering naar de norm voor een uitwonende studerende met ingang van oktober 2006 wordt omgezet in studiefinanciering naar de norm voor een thuiswonende studerende.

1.4. Vervolgens heeft appellante bij besluit van 12 januari 2007 de aan betrokkene toegekende studiefinanciering met ingang van oktober 2006 omgezet in studie-financiering naar de norm voor een thuiswonende studerende. Het hiertegen door betrokkene ingediende bezwaar is bij besluit van 14 maart 2007 (het bestreden besluit) door appellante ongegrond verklaard onder verwijzing naar artikel 1.5 van de WSF 2000.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, een en ander met de opdracht om een nieuw besluit op bezwaar te nemen en met een aanvullende beslissing inzake de vergoeding van het door betrokkene betaalde griffierecht. Daartoe is in hoofdzaak overwogen dat betrokkene redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt, aangezien zij op 19 oktober 2006 in de GBA is ingeschreven aan het adres [adres 3] te [woonplaats] en de afwijking die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit dus enkel is gelegen in een verondersteld verschil in huisnummers, terwijl voorts aannemelijk is geworden dat betrokkene dit verschil in huisnummers binnen de hersteltermijn ongedaan heeft gemaakt door appellante op 4 december 2006 telefonisch opgave te doen van het woonadres [adres 3] te [woonplaats].

3.1. Appellante heeft hoger beroep ingesteld en aangevoerd dat aan betrokkene van de afwijking niet redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt. Daarbij is ontkend dat betrokkene op 4 december 2006 aan appellante telefonisch opgave heeft gedaan van het woonadres [adres 3] te [woonplaats].

3.2. Betrokkene heeft zich in hoger beroep achter de overwegingen en het oordeel van de rechtbank geschaard. Betrokkene heeft daarbij benadrukt dat zij in de litigieuze periode feitelijk uitwonend was.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Allereerst is de Raad van oordeel dat er ten tijde van belang sprake was van een afwijking in de zin van artikel 1.5 van de WSF 2000. Doordat betrokkene op 19 oktober 2006 in de GBA ingeschreven is aan het adres [adres 3] te [woonplaats] stemde haar GBA-adres niet overeen met het woonadres dat zij op 14 september 2006 aan appellante heeft opgegeven, [adres 2] te [woonplaats]. Verder is betrokkene er noch in beroep noch in hoger beroep in geslaagd om aannemelijk te maken dat zij op 4 december 2006 aan appellante telefonisch opgave heeft gedaan van het woonadres [adres 3] te [woonplaats]. Het risico dat niet kan worden aangetoond dat per telefoon een adreswijziging is doorgegeven ligt geheel bij betrokkene. Derhalve moet het er voor worden gehouden dat betrokkene de afwijking niet binnen de haar gestelde termijn ongedaan heeft gemaakt.

4.3. Voorts is de Raad van oordeel dat niet is staande te houden dat betrokkene van de onder 4.2. vermelde afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt. In dit verband overweegt de Raad dat op grond van de wettelijke regeling studerenden uitsluitend in aanmerking kunnen komen voor studiefinanciering naar de norm voor uitwonende studerenden indien hun woonadres niet gelijk is aan het woonadres van (een van) hun ouders en zij er daarnaast zorg voor dragen dat het aan appellante opgegeven woonadres gelijk is aan het adres waarop zij in de GBA ingeschreven staan. Indien bij controle blijkt dat het door de studerende aan appellante opgegeven adres afwijkt van het adres waarop de studerende in de GBA staat ingeschreven, stelt appellante de studerende bovendien ingevolge de wettelijke regeling in de gelegenheid deze afwijking binnen een hersteltermijn van vier weken ongedaan te maken. Indien, zoals in het onderhavige geval, niet aannemelijk wordt dat de afwijking vervolgens binnen de hersteltermijn ongedaan is gemaakt en evenmin blijkt van omstandigheden op grond waarvan dit verzuim verschoonbaar is te achten, is appellante ingevolge de wettelijke regeling verplicht de toegekende studiefinanciering om te zetten in studiefinanciering naar de norm voor een thuiswonende studerende.

5. Uit wat hiervoor is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep van appellante doel treft. Daarom zal de aangevallen uitspraak worden vernietigd en zal het beroep van betrokkene ongegrond worden verklaard.

6. Er zijn geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2008.

(get.) J. Janssen.

(get.) A. Wit.

RB