Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD8763

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-07-2008
Datum publicatie
29-07-2008
Zaaknummer
06-4607 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4607 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 22 juni 2006, 05/3949 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 juli 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.A.W. Enoch, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2008, waar appellante is verschenen, bijgestaan door mr J. Honders, kantoorgenoot van mr. Enoch. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. van Dam.

II. OVERWEGINGEN

1. Het inleidend beroep richt zich tegen het besluit van 3 november 2005 (hierna: bestreden besluit) waarbij het Uwv heeft gehandhaafd zijn besluit van 15 juni 2005, strekkende tot intrekking per 14 augustus 2005 van de naar een mate van arbeids-ongeschiktheid van 80 tot 100% berekende uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt.

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het bestreden besluit niet op een ontoereikende dan wel onjuiste medische grondslag berust. Voorts is door de bezwaararbeidsdeskundige voldoende aannemelijk gemaakt dat appellante de geduide functies kan verrichten.

3. Appellante heeft onder verwijzing naar de onderzoeksbevindingen van de verzeke-ringsarts Schoorl haar standpunt herhaald, dat haar psychische toestand onveranderd is, dat zij volledig arbeidsongeschikt is en dat de (bezwaar)verzekeringsartsen bij hun onderzoek aan deze psychische toestand zijn voorbijgegaan. Voorts is aangevoerd dat de rechtbank heeft nagelaten de voortdurende psychische problemen te betrekken bij haar oordeel. Ten slotte is gesteld dat appellante zich weer onder behandeling van Altrecht geestelijke gezondheidszorg heeft laten stellen.

4. De Raad ziet geen reden om de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen met betrekking tot de klachten van appellante en de daaruit voortvloeiende beperkingen voor onjuist te houden. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat appellante door beide artsen is onderzocht, dat informatie van de huisarts en behandelend psychiater

A.G. Limburg-Okken is meegewogen en dat bij het vaststellen van de beperkingen genoegzaam rekening is gehouden met de psychische toestand van appellante. Voor wat betreft de behandeling bij Altrecht, heeft appellante geen medische gegevens in geding gebracht, op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat door de artsen verdergaande beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst hadden moeten worden opgenomen. Nu gelet op het voorgaande niet is gebleken dat de psychische toestand van appellante is onderschat, onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit op een toereikende dan wel juiste grondslag berust. Appellantes

beroepsgrond dat de rechtbank de psychische problemen niet heeft betrokken bij haar oordeel, slaagt dan ook niet.

5. De Raad heeft, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, evenmin grond om ervan uit te gaan dat de aan appellante voorgehouden functies voor haar in medisch opzicht niet geschikt zouden zijn.

6. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.

7. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet. De beslissing is, in tegenwoordig-heid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2008.

(get.) A.T. de Kwaasteniet.

(get.) W.R. de Vries.

CB