Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD8596

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-07-2008
Datum publicatie
25-07-2008
Zaaknummer
06/6789 WW + 07/881 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nader besluit. Herziening en terugvordering BIA-uitkering. Gemiddeld aantal arbeidsurenverlies.

Wetsverwijzingen
Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria
Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2008, 274
USZ 2008/273
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6789 WW

07/881 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 24 oktober 2006, 06/3205 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 juli 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.J. van ’t Hoff, verbonden aan de Stichting Rechtsbijstand te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een nieuw besluit op bezwaar van

5 februari 2007 toegezonden. Hierop heeft appellant gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2008. Voor appellant is verschenen mr. F.A.C. Klaassen, kantoorgenoot van mr. Van ’t Hoff. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. van de Berkt, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW), de Ziektewet (ZW), de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria

(hierna: Wet BIA) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Appellant was werkzaam als zelfstandig veehouder. Omdat hij vanaf 1983 deels ongeschikt was geworden voor zijn arbeid als zelfstandige, is hem een gedeeltelijke uitkering krachtens de Algemene arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend. Daarnaast bleef appellant 28,75 uur per week als zelfstandige werken in zijn eigen bedrijf. Na de intrekking van zijn AAW-uitkering is aan appellant met ingang van 2 december 1996 een uitkering ingevolge de Wet BIA toegekend. Op die uitkering werd een korting toegepast omdat appellant in verband met zijn werk als zelfstandige niet 38, maar 9,25 arbeidsuren had verloren.

2.2. Bij de conversie naar een ander computersysteem voor de betaling van uitkeringen per 23 mei 2005 heeft het Uwv verzuimd rekening te houden met een arbeidsurenverlies van 9,25 en de uitkering uitbetaald op basis van een arbeidsurenverlies van 38 uur. Bij besluit van 28 februari 2006 heeft het Uwv de uitkering van appellant herzien met ingang van 23 mei 2005. Bij een tweede besluit van dezelfde datum is het over de periode van

23 mei 2005 tot en met 29 januari 2006 te veel betaalde bedrag van bruto € 2.520,00 van appellant teruggevorderd.

2.3. Appellant heeft tegen de besluiten van 28 februari 2006 bezwaar gemaakt en in het bezwaarschrift tevens gesteld dat zijn uitkering ingevolge de Wet BIA ten onrechte op 9,25 in plaats van op 31,25 uren arbeidsurenverlies is gebaseerd. Bij besluit van 7 juni 2006 heeft het Uwv het bezwaar van appellant, voor zover dat is gericht tegen de vaststelling van het gemiddeld aantal arbeidsuren (hierna: gaa), niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar gericht tegen de terugvordering van de te veel betaalde uitkering ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 7 juni 2006 ongegrond verklaard.

4. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij nooit op de hoogte is gesteld van het gaa waarop de uitkering op grond van de Wet BIA is gebaseerd. Hij is van mening dat artikel 4 van het Besluit vaststelling arbeidsurenverlies Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria (hierna: Besluit), waarin is bepaald dat het gaa bedoeld in artikel 16 van de WW voor een zelfstandige wordt vastgesteld op 38, in strijd is met de wet. Daartoe heeft hij gewezen op artikel 5a en op artikel 8, eerste lid, van de Wet BIA. In de toelichting op artikel 4 van het Besluit wordt als rechtvaardiging van de maximering aangevoerd de gelijkstelling met werkloze werknemers met een hoger gaa dan 50. Appellant stelt dat het zesde lid van artikel 16 van de WW het Uwv weliswaar de bevoegdheid geeft om ten aanzien van groepen van werknemers die in de regel meer dan 50 uur per kalenderweek werken, voor de toepassing van het tweede lid te bepalen welk aantal uren ten hoogste in aanmerking wordt genomen, maar dat het Uwv van die bevoegdheid geen gebruik heeft gemaakt. Nu er voor die categorie werknemers geen maximering geldt, is er volgens appellant geen rechtvaardiging voor het van de WW afwijkende artikel 4.

5.1. Hangende het hoger beroep heeft het Uwv bij besluit van 5 februari 2007 (hierna: het nadere besluit) het bezwaar van appellant tegen de vaststelling van het gaa alsnog ontvankelijk en ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de terugvordering van de te veel betaalde BIA-uitkering eveneens ongegrond verklaard. Ten aanzien van het gaa neemt het Uwv het standpunt in dat in gevallen als dat van appellant, waarin er geen eerder recht op WW-uitkering is geweest, voor het vaststellen van het gaa artikel 8, derde lid, van de BIA geldt. Indien de betrokkene geen werknemer is in de zin van de WW, wordt het gaa op grond van artikel 4 van het Besluit vastgesteld op (fictief) 38 uur per week.

5.2. De Raad stelt vast dat het Uwv het besluit op bezwaar van 7 juni 2006 heeft ingetrokken en vervangen door het nadere besluit. Nu niet is gebleken dat appellant procesbelang heeft bij een oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak, waarbij het besluit van 7 juni 2006 in stand is gelaten, moet het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk worden verklaard. Aangezien het nadere besluit niet geheel aan het bezwaar van appellant tegemoetkomt, wordt zijn beroep op grond van artikel 6:18, 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht mede te zijn gericht tegen het nadere besluit. De Raad zal dat besluit in zijn beoordeling betrekken.

6.1. Met betrekking tot de vraag of het Uwv bij het nadere besluit het gaa waarnaar de uitkering van appellant is berekend terecht op 38 uur heeft gehandhaafd overweegt de Raad het volgende.

6.2. De op 1 januari 1996 in werking getreden Wet BIA voorziet ten aanzien van bepaalde categorieën oudere werknemers alsmede ten aanzien van in dezelfde omstandigheden verkerende oudere zelfstandigen, die op grond van een in het kader van arbeidsongeschiktheidsregelingen uitgevoerde herbeoordeling hun recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering verliezen of hebben verloren dan wel voor een lagere arbeidsongeschiktheidsuitkering in aanmerking komen en geen recht (meer) hebben op een WW-uitkering, in een werkloosheidsuitkering waarvan het niveau overeenkomt met de vervolguitkering op grond van de WW en waarvoor geen maximumduur geldt. De uitkering op grond van de Wet BIA eindigt bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar.

Met de toekenning van een dergelijke uitkering worden de inkomensgevolgen van de herbeoordeling voor deze groepen beperkt en wordt in het bijzonder voorkomen dat zij als gevolg van de herbeoordeling aangewezen raken op uitkeringen waarbij zij zich zouden moeten onderwerpen aan een partnerinkomenstoets en/of een vermogenstoets.

6.3. Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Wet BIA gaat voor de werkloze persoon die, nadat hij als gevolg van de toepassing, bedoeld in artikel 2, eerste, tweede of derde lid, zijn recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering verliest dan wel voor een lagere arbeidsongeschiktheidsuitkering in aanmerking komt, geen recht op een daarop betrekking hebbende uitkering op grond van de WW heeft, de uitkering in op de eerste dag van werkloosheid.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Wet BIA stelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen zo veel mogelijk overeenkomstig artikel 16 van de WW en de daarop berustende bepalingen het aantal arbeidsuren alsmede het aantal verloren arbeidsuren per kalenderweek vast.

Uit de toelichting op artikel 8 van de Wet BIA komt naar voren dat voor personen die na het verlies of de verlaging van hun arbeidsongeschiktheidsuitkering geen recht hadden op een WW-uitkering op grond van het eerste lid van artikel 8 de vaststelling van het aantal arbeidsuren per kalender week zo veel mogelijk overeenkomstig het bepaalde in artikel 16 van de WW of de daarop berustende regelgeving plaatsvindt. Voor het aantal verloren arbeidsuren worden zij als werknemer beschouwd.

Op basis van de in artikel 8, derde lid, van de Wet BIA heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op 15 mei 1996 het Besluit vastgesteld. In artikel 4 van het Besluit is bepaald dat het gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek, bedoeld in artikel 16 van de WW, voor de belanghebbende, die niet in aanmerking komt voor een uitkering ingevolge de WW, omdat hij geen werknemer is in de zin van deze wet wordt vastgesteld op 38.

6.4. Tussen partijen is niet in geschil en ook de Raad stelt vast dat het gaa op grond van de hiervoor weergegeven wet- en regelgeving 38 uur per week bedraagt. Met betrekking tot de grief van appellant dat artikel 4 van het Besluit wegens strijd met respectievelijk de artikelen 5a en 8 van de Wet BIA onverbindend moet worden verklaard overweegt de Raad het volgende.

6.5. De Raad wijst er in de eerste plaats op dat artikel 5a van de Wet BIA niet van toepassing is op appellant omdat dit artikel uitsluitend betrekking heeft op een werknemer in de zin van de WW.

Uit artikel 8, eerste lid, van de Wet BIA en de toelichting op het Besluit kan worden afgeleid dat het aantal arbeidsuren per kalenderweek voor oudere zelfstandigen die recht hebben op een uitkering ingevolge de Wet BIA zoveel mogelijk overeenkomstig artikel 16 van de WW en de daarop berustende bepalingen moet worden vastgesteld. In de toelichting op artikel 4 van het Besluit is hierover opgemerkt dat als basis is gekozen het aantal arbeidsuren per week van een fulltime werknemer. Dit aantal verschilt per bedrijf. In het algemeen kan een arbeidsverhouding van 38 uur per week voor een werknemer als fulltime dienstverband worden beschouwd. Zou voor de belanghebbende uitgegaan worden van een hoger fictief aantal arbeidsuren, bijvoorbeeld 50, dan zou dit volgens de toelichting als consequentie hebben dat bij een werkhervatting van 38 uur per week nog een recht op WW-uitkering resteert, hetgeen ten opzichte van de werknemer met een reguliere WW-uitkering tot een ongewenst verschil leidt.

6.6. Gelet op de onder 6.5 weergegeven toelichting en in aanmerking genomen dat de tekst van artikel 8, eerste lid, van de Wet BIA ruimte laat om ten aanzien van oudere zelfstandigen artikel 16 van de WW niet onverkort toe te passen, ziet de Raad onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat artikel 4 van het Besluit, waarin als maatstaf voor het aantal arbeidsuren van een volledig werkende zelfstandige aansluiting is gezocht bij het gangbare aantal uren van een fulltime werkende werknemer, zich niet verdraagt met het in artikel 8 van de Wet BIA vervatte wettelijk voorschrift. Dat voor werknemers, die in een of meer dienstverbanden in totaal meer dan 38 uur per week werken onder bepaalde omstandigheden en voorwaarden een hoger gaa wordt aangehouden doet aan dit oordeel geen afbreuk.

6.7. Uit het vorenstaande volgt dat beroep tegen het besluit van 5 februari 2007 ongegrond moet worden verklaard.

7. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 322,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep, wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 5 februari 2007 ongegrond;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 966,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het griffierecht van in totaal € 143,-- (€ 38,-- + € 105,--) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.A. Reinders als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2008.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.J.A. Reinders.

RH