Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD8584

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-07-2008
Datum publicatie
24-07-2008
Zaaknummer
07-919 WWB + 07-921 WWB + 07-1144 WWB + 07-1147 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schending inlichtingenverplichting staat vast: geen hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak in de bodemprocedure van de voorzieningenrechter van de rechtbank. Middelen: overschrijding vermogensgrens. Grondslag voor intrekking en terugvordering bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/919 WWB

07/921 WWB

07/1144 WWB

07/1147 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Betrokkene 1] en [Betrokkene 2], wonende te [woonplaats], appellanten hierna te noemen betrokkenen,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Tilburg, appellant hierna te noemen College,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 18 januari 2007, 06/1540 en 06/3094 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkenen

en

het College,

Datum uitspraak: 22 juli 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens betrokkenen heeft mr. M. de Jong, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft eveneens hoger beroep ingesteld. Voorts heeft het College een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2008. Betrokkenen zijn verschenen, bijgestaan door mr. De Jong. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.G. Smout, werkzaam bij de gemeente Tilburg.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkenen ontvangen sinds 1996 algemene bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van een anonieme melding dat betrokkenen, naast hun bijstandsuitkering over nog meer middelen beschikken, heeft het College een onderzoek laten verrichten naar de rechtmatigheid van de aan betrokkenen verleende bijstand. Uit dit onderzoek is het College onder meer gebleken dat betrokkenen op 10 maart 2005 een bedrag van € 26.350,-- hebben betaald aan een kliniek te München in Duitsland ten behoeve van een medische ingreep bij [betrokkene 2]. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport met bijlagen van 30 augustus 2005. Naar aanleiding van deze bevindingen heeft het College bij besluit van 31 augustus 2005 de bijstand van betrokkenen met ingang van 1 september 2005 beëindigd en bij besluit van 1 september 2005 de bijstand van betrokkenen over de periode van 1 maart 2005 tot en met 31 augustus 2005 ingetrokken, alsmede de gemaakte kosten van bijstand over laatstgenoemde periode tot een bedrag van € 6.765,85 van betrokkenen teruggevorderd.

1.3. Bij besluit van 10 november 2005 heeft het College – voor zover hier van belang – de bezwaren tegen deze besluiten ongegrond verklaard op de grond dat vanaf maart 2005 het recht op bijstand van betrokkenen niet kan worden vastgesteld vanwege onvoldoende informatie over de herkomst van vermogenscomponenten. Het College rekent het bedrag van € 26.350,-- dat op 10 maart 2005 door betrokkenen is betaald tot hun vermogen en verwerpt daarmee hun verweer dat dit bedrag aan de vader van [betrokkene 2] toebehoorde.

1.4. De voorzieningenrechter van de rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 7 februari 2006, 05/4941 en 05/4942, – voor zover hier van belang – het beroep van betrokkenen gegrond verklaard, het besluit van 10 november 2005 vernietigd en het College opgedragen opnieuw op de bezwaren te beslissen. De voorzieningenrechter heeft hierbij overwogen dat betrokkenen de inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van de ontvangst van het bedrag van € 26.350,-- dat zij op 10 maart 2005 hebben betaald. Voorts heeft de voorzieningenrechter overwogen dat deze schending van de inlichtingenverplichting geen grond kan vormen voor de conclusie dat vanaf 10 maart 2005 het recht op bijstand van betrokkenen niet kan worden vastgesteld dan wel dat betrokkenen geen recht op bijstand meer hebben, omdat zij door de betaling op 10 maart 2005 vanaf die datum feitelijk niet meer de beschikking hebben over het bedrag van € 26.350,--.

1.5. Bij besluit van 9 maart 2006 heeft het College - ter uitvoering van de uitspraak van de voorzieningenrechter - de bezwaren tegen de besluiten van 31 augustus 2005 en 1 september 2005 gegrond verklaard, de bijstand aan betrokkenen met ingang van 1 september 2005 voortgezet, en de intrekking en de terugvordering over de periode van 1 maart 2005 tot en met 31 augustus 2005 ongedaan gemaakt.

1.6. Bij besluit van 22 maart 2006 heeft het College de bijstand van betrokkenen herzien (lees: ingetrokken) omdat betrokkenen vanaf 10 maart 2005 over meer vermogen beschikken dan het vrij te laten bescheiden vermogen, gelet op de betaling op 10 maart 2005 van een bedrag van € 26.350,-- aan een kliniek te München. Voorts heeft het College besloten een bedrag van € 20.560,-- van betrokkenen terug te vorderen, zijnde het bedrag waarmee het op grond van artikel 34 van de WWB (resterende) vrij te laten bescheiden vermogen werd overschreden.

1.7. Bij besluit van 18 mei 2006 is - voor zover hier van belang - het bezwaar tegen het besluit van 22 maart 2006 ongegrond verklaard onder aanpassing van de ingangsdatum van de vermogensoverschrijding van 10 maart 2005 in “in maart 2005”.

1.8. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht, en voor zover hier van belang, het beroep tegen het besluit van 18 mei 2006 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het College opnieuw op het bezwaar dient te beslissen. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat de constatering dat betrokkenen op 10 maart 2005 over meer vermogen beschikten dan het vrij te laten bescheiden vermogen geen deugdelijke grondslag vormt voor de hier in geding zijnde intrekking en terugvordering van bijstand. Volgens de rechtbank is er, gelet op de schending van de inlichtingenverplichting, wel een rechtsgrond voor intrekking en terugvordering van 1 maart 2005 tot en met 10 maart 2005 aan betrokkenen verleende bijstand omdat onduidelijk is gedurende welke periode betrokkenen over het vermogen hebben beschikt, zodat ook niet kan worden vastgesteld hoeveel bijstand betrokkenen in verband daarmee ten onrechte hebben ontvangen. In verband met het verbod van reformatio in peius dient volgens de rechtbank een mogelijke terugvordering van bijstand beperkt te blijven tot een bedrag van € 6.765,85, het bedrag dat aanvankelijk werd teruggevorderd. Ter voorlichting aan partijen heeft de rechtbank hieraan toegevoegd dat een dergelijk besluit in rechte wel stand zou kunnen houden.

1.9. Betrokkenen hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij is geoordeeld dat zij de inlichtingenverplichting hebben geschonden met betrekking tot het bedrag van € 26.350,--, alsmede voor zover de rechtbank heeft bepaald dat terugvordering van bijstand tot een bedrag van € 6.765,85 in rechte in stand zou kunnen blijven.

1.10. Het College heeft zich in hoger beroep eveneens gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij is bepaald dat de terugvordering van bijstand beperkt dient te blijven tot een bedrag van € 6.785,85.

2. De Raad overweegt ten aanzien van het hoger beroep van betrokkenen het volgende.

2.1. De Raad stelt vast dat tegen de uitspraak in de bodemprocedure van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van 7 februari 2006 geen hoger beroep is ingesteld, zodat deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. Dit betekent dat de schending van de inlichtingenverplichting van betrokkenen ten aanzien van het niet melden van het bedrag van € 26.350,-- in rechte vaststaat. De grief van betrokkenen dat zij de inlichtingenverplichting op dit punt niet hebben geschonden kan daarom thans niet meer aan de orde komen.

2.2. De grief van betrokkenen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat terugvordering tot een bedrag van € 6.765,85 in rechte stand zou kunnen houden slaagt. De Raad is daarbij in de eerste plaats van oordeel dat de overweging van de rechtbank, dat terugvordering van de aan betrokkenen verleende bijstand tot een bedrag van € 6.765,85 in rechte stand zou kunnen houden, een bindend karakter heeft en niet slechts ter voorlichting van partijen dient. De Raad stelt verder vast dat de intrekking en de terugvordering van bijstand van betrokkenen in deze procedure, gelet op de bewoordingen van de besluiten van 22 maart 2006 en 18 mei 2006, de aan deze besluiten ten grondslag liggende stukken en het verhandelde ter zitting enkel betrekking hebben op de vanaf 1 maart 2005 aan betrokkenen verleende bijstand. Aan de mededeling van het College in het aanvullend hoger beroepschrift van 15 maart 2007 dat, indien het terugvorderingsbedrag van € 20.560,-- zou moeten worden toegerekend aan een periode en dat dit de periode van 15 september 2003 tot en met 10 maart 2005 zou zijn, komt dan ook geen betekenis toe. Uit het overzicht van de feiten van deze zaak blijkt dat het College de bijstand van appellanten bij besluit van 1 september 2005 over de periode van 1 maart 2005 tot 1 september 2005 heeft ingetrokken, onder meer op de grond dat appellanten op 10 maart 2005 zonder daarvan melding te maken aan het College hebben beschikt over het bedrag van € 26.350,--, en dat het College deze intrekking bij zijn besluit van 9 maart 2006 ongedaan heeft gemaakt. Aan de thans in geding zijnde intrekking - en de daaruit volgens het College voortvloeiende terugvordering - heeft het College dezelfde feiten ten

grondslag gelegd. De rechtszekerheid staat eraan in de weg dat de vanaf 1 maart 2005 verleende bijstand wederom, op dezelfde grondslag, wordt ingetrokken en teruggevorderd.

3. Ten aanzien van het hoger beroep van het College is de Raad van oordeel dat uit de hiervoor gegeven overwegingen onder 2.2. reeds volgt dat dit hoger beroep niet slaagt, nu de Raad daar heeft overwogen dat er voor het College in het geheel geen rechtsgrond is om op grond van het niet gemelde bedrag van € 26.350,-- tot intrekking en terugvordering van de vanaf 1 maart 2005 aan betrokkenen verleende bijstand over te gaan. De Raad komt dan niet meer toe aan bespreking van de grief van het College dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er sprake is van reformatio in peius.

4. De Raad zal de aangevallen uitspraak - voor zover door betrokkenen aangevochten - vernietigen. Deze vernietiging strekt zich ook uit, zo volgt uit de rechtsoverwegingen 2.5. en 3 van deze uitspraak, over de opdracht aan het College om opnieuw te beslissen op het bezwaar met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank. Met het oog op een beëindiging van het geschil tussen partijen over de intrekking en de terugvordering van de bijstand over de periode vanaf 1 maart 2005, en nu op die punten geen andere uitkomst mogelijk is, zal de Raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak voorzien door het besluit van 22 maart 2006 te herroepen.

4.1. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van betrokkenen. Deze worden begroot op € 684,20 in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand (€ 644,--) en reiskosten (€ 40,20).

4.2. De Raad ziet voorts aanleiding van de gemeente Tilburg een griffierecht te heffen. Weliswaar wordt de aangevallen uitspraak (deels) vernietigd, maar deze vernietiging is uitsluitend toe te schrijven aan het door betrokkenen ingestelde hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover door betrokkenen aangevochten;

Herroept het besluit van 22 maart 2006;

Veroordeelt het College in de proceskosten van betrokkenen tot een bedrag van € 684,20, te betalen door de gemeente Tilburg aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Tilburg aan betrokkenen het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 105,-- vergoedt;

Bepaalt dat van de gemeente Tilburg een griffierecht van € 433,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en K. Zeilemaker en C. van Viegen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) W. Altenaar.

OA