Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD8154

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-07-2008
Datum publicatie
22-07-2008
Zaaknummer
06-2534 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering AOW-pensioen. Dringende reden om af te zien van terugvordering?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2534 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 24 maart 2006, 05/1185 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 10 juli 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G. van Buuren, advocaat te Weert, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2008. Namens appellante is mr. Van Buuren verschenen. De Svb heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 1 december 1998 is aan appellante, die een gezamenlijke huishouding voerde met haar echtgenoot [naam echtgenoot], met ingang van juli 1999 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend berekend op basis van het bedrag voor gehuwden. Na een melding van appellante dat de gezamenlijke huishouding met ingang van 24 oktober 2001 was beëindigd, heeft de Svb de AOW-uitkering van appellante bij besluit van 8 november 2001 met ingang van oktober 2001 vastgesteld op basis van het bedrag voor een alleenstaande. Met een op 16 november 2004 door de Svb ontvangen onderzoeksformulier heeft de echtgenoot van appellante laten weten dat hij met ingang van 28 mei 2003 weer een gezamenlijke huishouding voerde met appellante. Bij besluit van 22 november 2004 heeft de Svb de AOW-uitkering van appellante met ingang van juni 2003 herzien en vastgesteld op basis van het bedrag voor een samenwonende. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 28 februari 2005 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend, zodat vaststaat dat over de periode van juni 2003 tot en met oktober 2004 tot een te hoog bedrag ouderdomspensioen aan appellante is betaald.

1.2. Bij besluit van 1 april 2005 heeft de Svb van appellante een bedrag van € 3.223,29 aan te veel betaalde AOW-uitkering teruggevorderd en aan appellante een boete opgelegd van € 330,-- wegens het niet binnen vier weken doorgeven van de hernieuwde gezamenlijke huishouding met haar echtgenoot. De Svb heeft het bezwaar van appellante tegen dit besluit bij besluit van 22 juni 2005 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 24, vierde lid, van de AOW die de Svb had moeten doen besluiten van terugvordering van de teveel betaalde uitkering af te zien. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat appellante of haar echtgenoot de Svb eerder dan met het door de Svb op 16 november 2004 ontvangen onderzoeksformulier van de hervatting van hun samenwoning op de hoogte hebben gesteld, zodat de Svb op goede gronden heeft geoordeeld dat de informatieverplichting van artikel 49 AOW is geschonden. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat de boete gelet op de ernst van de gedraging, de mate waarin de gedraging appellante kan worden verweten of de omstandigheden waarin zij verkeert op een ander bedrag dan

€ 330,-- zou moeten worden vastgesteld, terwijl van dringende redenen als bedoeld in artikel 17c, vierde lid, van de AOW die noodzaakten tot het geheel of gedeeltelijk afzien van oplegging van een boete evenmin sprake was.

3. In hoger beroep heeft appellante al haar in beroep ingenomen stellingen gehandhaafd. Appellante heeft geen stukken in het geding gebracht die haar stelling onderbouwen dat zij haar hernieuwde samenwoning al voor de invulling van het onderzoeksformulier persoonlijk aan de Svb had gemeld.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank volledig. Artikel 24, eerste lid, van de AOW verplicht de Svb tot terugvordering van het ouderdomspensioen dat als gevolg van een herzieningsbeslissing onverschuldigd is betaald. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat van dringende redenen om af te zien van terugvordering van het bedrag van € 3.223,29 aan te veel betaalde AOW-uitkering niet is gebleken.

4.2. Voorts gaat ook de Raad uit van het vaststaande feit dat appellante niet aan haar informatieverplichting heeft voldaan door, nadat haar echtgenoot zijn adres in de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) van de gemeente had doen wijzigen, na te laten aan de Svb te melden dat met zijn verhuizing de samenwoning op haar adres was hervat. De gemachtigde van de Svb heeft ter zitting genoegzaam toegelicht dat de verwerking van de adreswijziging van de echtgenoot in het geautomatiseerde systeem van de Svb niet, althans niet direct, duidelijk doet zijn dat van een samenwoning van twee AOW-gerechtigden op één adres sprake is die moet leiden tot aanpassing van de uitkeringen. Om die reden is de spontane melding van het gaan voeren of beëindigen van een gezamenlijke huishouding een verplichting gebleven ook nadat de Svb van wijzigingen in de GBA door de gemeente op de hoogte wordt gesteld. Op de verplichting om een wijziging in de persoonlijke omstandigheden, zoals het gaan voeren van een gezamenlijke huishouding, binnen vier weken door te geven aan de Svb is appellante met een bijlage bij de toekenningsbeslissing gewezen. Daarbij is nadrukkelijk gesteld dat de verplichting ook geldt als de informatie al is doorgegeven aan een andere instantie, zoals het gemeentebestuur.

4.3. Artikel 17c, eerste lid, van de AOW schrijft bij het niet behoorlijk nakomen van de informatieverplichting van artikel 49 AOW in beginsel de oplegging van een boete voor, waarvan de hoogte wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de gedraging de pensioengerechtigde kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een boete wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.4. De Raad is van oordeel dat de Svb terecht een boete heeft opgelegd op de grond dat appellante haar informatieverplichting heeft geschonden. De Raad volgt appellante niet in haar stelling dat haar het achterwege laten van de melding niet te verwijten valt. Voor zover appellante het maatschappelijk werk heeft ingeschakeld om instanties, waaronder de Svb, van de hernieuwde samenwoning op de hoogte te stellen, bleef het haar verantwoordelijkheid dat die melding de Svb (tijdig) bereikte.

4.5. Niet is gebleken van het aanwezig zijn van dringende redenen als bedoeld in artikel 17c, vierde lid, van de AOW om af te zien van het opleggen van een boete. Wat betreft de hoogte van de boete heeft de Svb zich gebaseerd op het benadelingsbedrag van € 3.223,29 dat is ontstaan over de periode juni 2003 tot en met oktober 2004. Onder toepassing van artikel 2 van het Boetebesluit sociale verzekeringswetten (Boetebesluit) heeft de Svb de boete vastgesteld op 10% van het benadelingsbedrag en naar boven afgerond op een veelvoud van € 11,--. Nu de boete is vastgesteld op een bedrag van

€ 330,-- waarvan de berekening in overeenstemming is met artikel 2 van het Boetebesluit, kan de opgelegde boete naar het oordeel van de Raad in rechte stand houden. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat aanwijzingen ontbreken dat de hoogte van de boete onvoldoende is afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid van de gedraging en de omstandigheden waarin appellante verkeert.

5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2008.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) C. de Blaeij.

IJ