Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD7673

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-07-2008
Datum publicatie
22-07-2008
Zaaknummer
07/3495 WW + 07/5474 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WW-uitkering blijvend geheel geweigerd. Nagelaten aangeboden passende arbeid te aanvaarden. Aangeboden functie passend, gezien medische beperkingen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3495 WW + 07/5474 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 27 april 2007, 06/3527 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 juli 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Broens, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een nieuw besluit op bezwaar van 14 september 2007 ingezonden en op verzoek van de Raad een nader stuk toegezonden.

[Naam Stichting] van [vestigingsplaats] heeft de Raad desgevraagd bericht niet als partij aan het geding te willen deelnemen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Broens voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.R. Abdoelhak, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Aan appellante is met ingang van 3 oktober 2005 een WW-uitkering toegekend, gebaseerd op een arbeidspatroon van gemiddeld 31 uur en 19 minuten per week.

3. Op het werkbriefje over de periode van 3 oktober 2005 tot en met 6 november 2005 heeft appellante vermeld dat De Redactie haar de functie van redacteur interne communicatie heeft aangeboden en dat zij deze functie heeft afgewezen. Desgevraagd heeft appellante bij brief van 12 december 2005 meegedeeld dat zij de functie, waarbij zij gedetacheerd zou worden bij de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN), niet heeft geaccepteerd, omdat zij deze niet kon combineren met het reeds ingezette traject dat is gericht op de mogelijkheden om als freelancer of zelfstandige te beginnen. Voorts heeft zij meegedeeld dat de aangeboden functie niet bij haar past en dat de kans op uitval daardoor groot zou zijn. Nadat het Uwv nadere informatie had ingewonnen bij De Redactie, waaruit onder meer naar voren kwam dat het ging om een functie voor 32 uur per week, heeft het Uwv bij besluit van 12 januari 2006 de WW-uitkering met ingang van 13 oktober 2005 blijvend geheel geweigerd op de grond dat appellante door eigen toedoen geen passende arbeid heeft verkregen. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Daarbij heeft zij aangevoerd dat de aangeboden functie, gelet op de rapportage van verzekeringsarts drs. R. Ponsioen van 11 maart 2004 en de rapportage van arbeidsdeskundige M.H. van den Brink van 21 juli 2004, voor haar niet passend was. Bij besluit van 31 augustus 2006 heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar de rapportage van bezwaararbeidsdeskundige

G. van Dam van 5 juli 2006 acht het Uwv de aangeboden functie wel passend. Voorts acht het Uwv het zeer aannemelijk dat appellante de aangeboden functie bij een andere houding wel zou hebben verkregen.

4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante gegrond verklaard en het besluit van 31 augustus 2006 vernietigd. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gebleken of de aangeboden functie daadwerkelijk voldoet aan de door de verzekeringsarts gestelde voorwaarde dat beeldschermwerkzaamheden zo nu en dan afgewisseld dienen te worden met andere, niet nek- en schouderbelastende werkzaamheden. De rechtbank is er met name van overtuigd dat de mogelijkheid tot staand telefoneren en het halen van prints niet voldoet aan het vereiste van andere niet nek- en schouderbelastende werkzaamheden. Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van het Uwv gelegen om de functiebeschrijving voor te leggen aan een (bezwaar)verzekeringsarts. Nu het Uwv dit heeft nagelaten, acht de rechtbank onvoldoende aangetoond dat de functie voor de krachten en bekwaamheden van appellante was berekend.

5. Hangende het hoger beroep van appellante heeft het Uwv - ter uitvoering van de aangevallen uitspraak - op 14 september 2007 een nieuw besluit op bezwaar genomen (hierna: bestreden besluit). Daarbij is de blijvend gehele weigering van de WW-uitkering per 13 oktober 2005 gehandhaafd. Volgens het Uwv blijkt uit de rapportage van bezwaarverzekeringsarts A. van Bruggen van 11 september 2007 dat de aangeboden functie voldoet aan de door verzekeringsarts Ponsioen gestelde voorwaarde dat de beeldschermwerkzaamheden zo nu en dan afgewisseld dienen te worden met andere, niet nek- en schouderbelastende werkzaamheden, zodat de aangeboden functie passend was.

6. De Raad overweegt het volgende.

6.1. De Raad merkt het bestreden besluit aan als een besluit in de zin van artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu met dit besluit niet is tegemoet gekomen aan het bezwaar van appellante zal de Raad, gelet op artikel 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24 van de Awb, het hoger beroep mede gericht achten tegen dit besluit.

6.2. Aangezien de bezwaren van appellante geheel aan de orde komen bij de beoordeling van het bestreden besluit heeft appellante geen zelfstandig belang meer bij de beoordeling van haar hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak. Het hoger beroep moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.

6.3. Dit betekent dat thans de vraag resteert of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

6.4. Teneinde de vraag te kunnen beantwoorden of appellante, in strijd met artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de WW, heeft nagelaten aangeboden passende arbeid te aanvaarden of door eigen toedoen geen passende arbeid heeft verkregen, dient te worden onderzocht of de aan appellante aangeboden functie van redacteur interne communicatie was aan te merken als passende arbeid.

6.5. Anders dan appellante is de Raad van oordeel dat, gelet op de onduidelijke formulering van overweging 2.7 in de aangevallen uitspraak, niet gezegd kan worden dat de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft geoordeeld dat de aan appellante aangeboden functie niet passend is te achten. Dit betekent dat de vraag of de aangeboden functie passend was in dit geding in volle omvang voorligt.

6.6. Uit de door de VGN mondeling gegeven beschrijving van de functie, alsmede uit de verklaringen van De Redactie van 29 mei 2006 en de VGN van 29 juni 2006, blijkt dat de aangeboden functie overwegend beeldschermwerk betreft.

6.7. Tussen partijen is niet in geschil dat de door de verzekeringsarts Ponsioen aangenomen beperkingen, die zijn vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 15 maart 2004, ten tijde hier in geding onverminderd bij appellante aanwezig waren, zodat ook de Raad daarvan uitgaat. De desbetreffende FML vermeldt beperkingen bij onderdeel 1.9 (persoonlijk functioneren, specifieke voorwaarden voor het persoonlijk functioneren in arbeid) en onderdeel 4.6 (dynamische handelingen, werken met toetsenbord en muis). Bij onderdeel 1.9 is vermeld dat appellante is aangewezen op werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken. Bij onderdeel 4.6 is vermeld dat sprake is van een lichte beperking en dat appellante zo nodig gedurende de helft van de werkdag (ongeveer 4 uren) toetsenbord kan bedienen en muis kan hanteren. Ter toelichting heeft de verzekeringsarts opgemerkt dat continue beeldschermwerk is uitgesloten en dat dit moet worden afgewisseld met ander werk.

6.8. Voor de Raad is niet komen vast te staan dat appellante vanwege haar beperkingen de haar aangeboden functie had kunnen verrichten. Weliswaar heeft bezwaar-verzekeringsarts Van Bruggen in de rapportage van 11 september 2007 de werkzaamheden medisch passend geacht voor appellante, maar naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaarverzekeringsarts daarbij een te beperkte uitleg gegeven aan de door verzekeringsarts Ponsioen vastgestelde beperkingen. De Raad acht het niet aannemelijk dat verzekeringsarts Ponsioen bij de noodzakelijk geachte afwisseling met andere werkzaamheden mede heeft gedoeld op de mogelijkheid tot vertreding voor persoonlijke verzorging en het tussentijds halen van koffie en prints en op het gebruik kunnen maken van een PC-pauzeprogramma. Voorts geven de gedingstukken er geen blijk van dat het telefoneren in die mate in de aangeboden functie voorkomt dat gesproken kan worden van andere, beeldschermwerkzaamheden afwisselende, werkzaamheden. De Raad merkt hierbij nog op dat verzekeringsarts Ponsioen, indien hem de door bezwaar-verzekeringsarts Van Bruggen gestelde uitleg voor ogen had gestaan, geen beperking op onderdeel 4.6 zou hebben aangenomen, aangezien de belastbaarheid van appellante in dat geval was gebleven binnen de normaalwaarde van dit onderdeel, te weten “kan zo nodig gedurende het merendeel van de werkdag toetsenbord bedienen en muis hanteren (professioneel tekstverwerken, programmeren, CAD/CAM werk, elektronische verkoop)”. De Raad wijst er nog op dat appellante in het kader van de WAO-beoordeling ongeschikt is geacht voor de maatmanfunctie van tekstschrijfster, ondanks de ongetwijfeld ook daarin voorkomende mogelijkheden om te bellen en de werkplek te verlaten voor het halen van koffie en prints en voor persoonlijke verzorging.

6.9. Het voorgaande leidt de Raad tot het oordeel dat de aangeboden functie van redacteur interne communicatie voor appellante niet kan worden beschouwd als passende arbeid als bedoeld in artikel 24, vierde lid, van de WW. De Raad merkt daarbij, in reactie op het betoog van het Uwv, nog op dat het voor beantwoording van de vraag of een functie passend is niet relevant is dat appellante naar vergelijkbare functies heeft gesolliciteerd.

6.10. Het voorgaande betekent dat niet geoordeeld kan worden dat appellante de in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de WW opgenomen verplichting heeft overtreden. Dit brengt mee dat het beroep van appellante gegrond is en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De Raad ziet, op grond van het bovenstaande en ter finale beslechting van het geschil, aanleiding het besluit van 12 januari 2006 te herroepen.

7. Het verzoek van appellante om het Uwv op grond van artikel 8:73 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van wettelijke rente kan gelet op het voorgaande worden toegewezen. De ingangsdatum van de rente wordt gesteld op 1 februari 2006. Met betrekking tot de berekening van de wettelijke rente verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995, LJN ZB1495, RSV 1996/182 en JB 1995/314.

8. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,- in bezwaar, € 644,- in beroep en € 644,- in hoger beroep, derhalve in totaal op € 1.932,-, wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Herroept het besluit van 12 januari 2006;

Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van renteschade als hiervoor is aangegeven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.932,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellante in

beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 144,- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.A. Reinders als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2008.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.J.A. Reinders.

RH