Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD7555

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-07-2008
Datum publicatie
22-07-2008
Zaaknummer
06-4605 Wajong
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering van onverschuldigd betaalde WAJONG-uitkering en toeslag. Dringende redenen om van terugvordering af te zien?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4605 Wajong

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 29 juni 2006, 05/3657 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 juli 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.J.M. van Galen, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2008.

Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van Galen.

Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. F.A. Put.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De rechtbank is op grond van de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen tot het oordeel gekomen dat het beroep van appellante tegen het besluit van het Uwv van 19 oktober 2005 - waarbij in bezwaar is gehandhaafd de terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkering op grond van de Wajong en toeslag op grond van de Toeslagenwet tot een bedrag van in totaal € 25.913,24 - ongegrond is.

2.1. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de situatie waarin zij verkeerde, en thans nog steeds verkeert, dringende redenen opleveren als bedoeld in artikel 55, vierde lid, van de Wajong en artikel 20, vierde lid, van de Toeslagenwet. Naar de opvatting van appellante hebben het Uwv en de rechtbank dit miskend.

Appellante heeft erop gewezen dat zij psychiatrisch wordt behandeld, haar ex-partner haar heeft onderdrukt en bedreigd en dat haar ex-partner als enige heeft geprofiteerd van de door haar ten onrechte ontvangen uitkering, terwijl hij in de onderhavige procedure geheel buiten schot blijft.

3.1. Appellante heeft deze gronden ook reeds in beroep aangevoerd.

De rechtbank heeft de gronden van appellante afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet slagen.

De rechtbank heeft terecht gewezen op de vaste jurisprudentie van de Raad dat dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien slechts gelegen kunnen zijn in de onaanvaardbaarheid van de financiële en/of sociale consequenties die een terugvordering voor de betrokkene heeft. De rechtbank is vervolgens terecht en op juiste gronden tot het oordeel gekomen dat hetgeen appellante heeft aangevoerd er niet toe leidt dat het besluit van het Uwv - dat appellante niet verkeerde in een situatie als bedoeld in artikel 55, vierde lid, van de Wajong en artikel 20, vierde lid, van de Toeslagenwet - onrechtmatig is.

3.2. De in hoger beroep door appellante overgelegde brief gedateerd 9 mei 2008 van dr. G. Delfstra, gezondheidszorgpsycholoog-psychotherapeut verbonden aan “Altrecht geestelijke gezondheidszorg”, bij wie appellante onder behandeling is, leidt de Raad niet tot een ander oordeel. De Raad wijst erop dat Delfstra stelt dat - ondanks de moeilijke situatie waarin appellante verkeerde - niet aan de eigen verantwoordelijkheid van appellante kan worden voorbijgegaan, omdat dat zelfs antitherapeutisch zou kunnen zijn. Het standpunt van Delfstra dat het genoemde terugvorderingsbedrag niet realistisch is gezien de mogelijkheden van appellante om inkomsten te verwerven en dat dit een te grote psychische belasting voor appellante met zich brengt, gaat eraan voorbij dat - kort gezegd - bij het invorderen van het bedrag rekening wordt gehouden met de financiële mogelijkheden van appellante.

3.3. Het hoger beroep treft derhalve geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

3.4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2008.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) E.M. de Bree.

JL