Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD7536

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-07-2008
Datum publicatie
22-07-2008
Zaaknummer
06-3214 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Geen reden om uitlooptermijn in acht te nemen. Terecht geen urenbeperking aangenomen? Oordeel onafhankelijk deskundige. Voldoende arbeidskundige grondslag?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3214 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 27 april 2006, 05/333 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 juli 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2008. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.E.M. Kuppens.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft zich vanuit de situatie waarin hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving per 1 september 2003 ziek gemeld in verband met reumatische klachten. Per die datum is hij tevens voor gemiddeld 20 uur per week gaan werken als catering chauffeur. Op 4 mei 2004 heeft appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aangevraagd. Op 13 september 2004 is appellant onderzocht door de verzekeringsarts D. Holtkamp. Deze arts is op basis van de resultaten van het eigen onderzoek en de informatie die de behandelend reumatoloog dr. E.J. ter Borg bij brief van 28 juni 2004 heeft verstrekt tot de conclusie gekomen dat appellant aangewezen is op rugontlastende arbeid waarbij houdingen moeten kunnen worden afgewisseld en waarbij zwaar tillen voorkomen dient te worden. Voor een urenbeperking heeft de verzekeringarts geen reden gezien. De voor appellant geldende beperkingen zijn weergegeven in een zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). De arbeidsdeskundige heeft vervolgens met inachtneming van de FML een aantal functies geselecteerd waarmee appellant een zodanig inkomen kan verwerven dat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt is. Overeenkomstig deze bevindingen heeft het Uwv bij besluit van 9 november 2004 appellant de uitkering ingevolge de WAO per

30 augustus 2004 ontzegd.

1.2. In bezwaar tegen het besluit van 9 november 2004 heeft appellant zich onder verwijzing naar een verklaring van dr. Ter Borg van 11 november 2004 op het standpunt gesteld dat hij slechts voor 50% gangbare arbeid kan verrichten. Appellant is van mening dat zijn 20-urige werkweek het hoogst haalbare is en dat hij voor de resterende 20 uur per week recht heeft op een aanvullende WAO-uitkering. Voorts heeft appellant zich (subsidiair) op het standpunt gesteld dat hij gelet op de vertraagde besluitvorming van het Uwv in ieder geval tot en met november 2004 recht heeft op de aanvullende WAO-uitkering.

1.3. Bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal, die de hoorzitting heeft bijgewoond waar appellant zijn bezwaren heeft toegelicht, is tot de conclusie gekomen dat er geen valide argumenten zijn om de verzekeringsarts niet te volgen in haar conclusie dat in de omstandigheden van appellant geen aanleiding bestaat voor een urenbeperking. Bij het besluit van 11 januari 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv zich tevens op het standpunt gesteld dat appellant niet, zoals hij subsidiair heeft aangevoerd, tot en met november 2004 aanspraak kan maken op een (aanvullende) WAO-uitkering omdat geen reden bestaat voor een uitlooptermijn en ook de algemene beginselen van behoorlijk bestuur daartoe niet nopen.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven. De rechtbank heeft geen aanleiding gevonden de door haar ingeschakelde deskundige, de reumatoloog dr. G.H.C. Schardijn, niet te volgen.

De deskundige heeft zich kunnen verenigen met de beperkingen die zijn opgenomen in de FML en heeft formeel geen bezwaren kunnen aanvoeren tegen het standpunt dat appellant in staat is gedurende 40 uur per week aangepaste arbeid te verrichten. In de omstandigheid dat eerst na het bestreden besluit een nadere motivering is gegeven voor de passendheid van de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, heeft de rechtbank aanleiding gezien het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen. Aangezien de passendheid van de functies in de rapportage van een bezwaararbeidsdeskundige van 6 februari 2006 alsnog toereikend is gemotiveerd heeft de rechtbank onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat de rechtgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep onveranderd op het standpunt gesteld dat hij gelet op zijn beperkingen, niet in staat is de geduide functies in de volle omvang te vervullen.

In de door dr. Schardijn gebruikte bewoordingen is volgens appellant steun te vinden voor zijn standpunt dat hij niet full-time kan werken. Naar de mening van appellant wekken die bewoordingen twijfel, die niet ten nadele van hem kan worden uitgelegd. Voorts heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank niet is ingegaan op zijn standpunt dat hij in ieder geval tot november 2004 recht heeft op een (aanvullende) WAO-uitkering. Appellant is van mening dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het bestreden besluit tot 6 november 2006 in stand heeft gelaten, aanzien eerst in het rapport van die datum een, naar het oordeel van de rechtbank, toereikende motivering van het bestreden besluit is gegeven.

4.1. Zoals de rechtbank heeft overwogen ligt in de rechtspraak van de Raad besloten dat het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan in het geval van appellant aanleiding bestaat om van dit uitgangspunt af te wijken. Dr. Schardijn heeft zich kunnen verenigen met de beperkingen die zijn weergegeven in de voor appellant opgestelde FML en heeft geen argumenten gevonden voor een urenbeperking. De omstandigheid dat de deskundige bepaalde bewoordingen heeft gebruikt, waarin appellant steun vindt voor zijn standpunt, acht de Raad ontoereikend om de deskundige niet te volgen. De Raad acht zich voldoende voorgelicht over gezondheidstoestand van appellant per 30 augustus 2004, de datum hier in geding, en ziet derhalve geen aanleiding voor een nader onderzoek door een deskundige, zoals appellant heeft verzocht.

4.2. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is de Raad van oordeel dat in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 6 februari 2006 toereikend is gemotiveerd dat voor appellant voldoende functies zijn geselecteerd waarvan de belasting de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt.

4.3. Ten aanzien van het subsidiaire standpunt van appellant dat hij tot (en met) november 2004 dan wel tot 6 februari 2006 recht heeft op een (aanvullende) WAO-uitkering onderschrijft de Raad het standpunt van het Uwv, zoals weergegeven in het bestreden besluit en het verweerschrift. Alleen bij de intrekking en herziening van een WAO-uitkering bestaat onder omstandigheden aanleiding om die uitkering bij wijze van uitlooptermijn gedurende enige tijd te continueren en niet, zoals in het geval van appellant, indien na afloop van de wachttijd van 52 weken geen recht bestaat op die uitkering. De omstandigheid dat eerst na afloop van die wachttijd een beslissing omtrent het recht op WAO-uitkering is genomen geeft op zichzelf evenmin aanspraak op uitkering. De Raad deelt evenmin de opvatting van appellant dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in ieder geval niet slechts tot 6 november 2006 in stand had kunnen laten. In geding zijn de aanspraken van appellant op WAO-uitkering per 30 augustus 2004. Het verstrekken van een toereikende motivering van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit tijdens de procedure in eerste aanleg kan er niet toe leiden dat appellant per 30 augustus 2004 aanspraak kan maken op WAO-uitkering, terwijl op goede gronden is vastgesteld dat hij per die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt is en mitsdien geen recht heeft op die uitkering.

4.4. Uit het hetgeen in 4.1. tot en met 4.2. is overwogen vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en J. Riphagen en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2008.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

RB