Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD7447

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-07-2008
Datum publicatie
17-07-2008
Zaaknummer
06-4452 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hogere gedifferentieerde WAO-premie, veroorzaakt door de aan werkneemster toegekende WAO-uitkering. Is Uwv bij toekenning WAO-uitkering er terecht van uitgegaan dat sprake is van een zelfde ziekteoorzaak?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4452 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 12 juni 2006, 04/900 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[De werkgever] (hierna: de werkgever)

en

appellant.

Datum uitspraak: 11 juli 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens de werkgever heeft R. Bentum, juridisch medewerker bij Adviesbureau Bentum te Nijeveen, een verweerschrift ingediend. De voor de werkgever werkzame bedrijfsarts J.B.T. Schaafsma heeft als arts-gemachtigde een medische aanvulling op dit verweerschrift gegeven.

De Raad heeft bij brief van 4 augustus 2006 aan mevrouw [naam werkneemster], die voorheen werkzaam is geweest bij de werkgever (hierna: de werkneemster), verzocht om aan te geven of zij als partij aan het geding in hoger beroep wil deelnemen en of zij toestemming geeft voor het verstrekken van haar medische gegevens aan de werkgever. De werkneemster heeft hierop niet gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 mei 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Belopavlovic. Voor de werkgever zijn verschenen

R. Bentum en J.B.T. Schaafsma voornoemd. Voorts heeft namens de werkgever B.J. Kip het openbare gedeelte van de zitting bijgewoond. De behandeling ter zitting heeft, voor zover daarbij medische gegevens aan de orde zijn gekomen, met gesloten deuren plaatsgevonden.

II. OVERWEGINGEN

1. Op 22 september 1998 is de werkneemster met beenklachten uitgevallen voor haar werk als administratief medewerkster. Bij een verbouwing van haar huis zijn in het voorjaar van 1998 een paar bouwplaten op haar rechterbeen gevallen. Als gevolg hiervan heeft zich een dystrofie ontwikkeld. De werkneemster heeft haar werk niet meer hervat en de met haar gesloten arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is per 23 april 1999 geëindigd.

1.1. Bij besluit van 6 september 1999 heeft appellant geweigerd om aan de werkneemster na afloop van de voor haar geldende wachttijd op 21 september 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen.

Dit besluit berust blijkens het rapport van arbeidsdeskundige J.E. Uitentuis van

2 september 1999 op het standpunt dat de werkneemster op 21 september 1999 weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat zij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste lonen, met het voor haar geldende maatmaninkomen resulteert volgens dit rapport niet in enig verlies aan verdiencapaciteit, zodat zij geen recht op een WAO-uitkering heeft. Van dit besluit is een kopie aan de werkgever gezonden die daarop niet heeft gereageerd.

1.2. Per 10 april 2001 heeft de werkneemster zich bij appellant ziek gemeld. Zij ontving op dat moment een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet.

De verzekeringsarts J.V. Koops heeft in maart 2002 een onderzoek verricht en heeft daarbij als diagnose een somatisatiestoornis met pijnbeeld rechterbeen en dreigende armklachten bij toenemende stress gesteld. Koops heeft geconcludeerd dat de werkneemster vanwege relatieve niet-zelfredzaamheid op lichamelijk en psychisch gebied geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft om arbeid te verrichten.

1.3. Bij besluit van 12 april 2002 heeft appellant aan de werkneemster na afloop van een wachttijd van vier weken met ingang van 8 mei 2001 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Hierbij is toepassing gegeven aan artikel 43a, eerste lid, onder b van de WAO, ingevolge welk artikelonderdeel een verkorte wachttijd van vier weken geldt als sprake is van toename van arbeidsongeschiktheid uit dezelfde oorzaak als die waaruit de eerdere ongeschiktheid voor de eigen arbeid was ontstaan.

1.4. In het kader van de zogeheten eerste jaars herbeoordeling is de werkneemster op

14 februari 2003 opnieuw gezien door verzekeringsarts Koops, die wederom heeft geconcludeerd dat zij geen duurzaam benutbare mogelijkheden voor het verrichten van arbeid heeft.

1.5. Bij besluit van 17 februari 2003 heeft appellant aan de werkneemster medegedeeld dat haar arbeidsongeschiktheid ongewijzigd wordt vastgesteld.

1.6. Bij brief van 30 maart 2004 aan appellant is namens de werkgever aangegeven dat hij is geconfronteerd met een hogere gedifferentieerde WAO-premie, die is veroorzaakt door de aan de werkneemster toegekende WAO-uitkering. De werkgever was eerder niet bekend met deze toekenning van de WAO-uitkering omdat appellant geen kopie van de besluiten van 12 april 2002 en 17 februari 2003 aan de werkgever had gestuurd. Nadat appellant deze besluiten alsnog aan de werkgever had verzonden is tegen die besluiten bezwaar gemaakt. Tijdens de hoorzitting is aangegeven dat de werkgever ook bezwaar maakt tegen het besluit van 6 september 1999, waarbij de toekenning van een WAO-uitkering per 21 september 1999 was geweigerd.

1.7. Bij besluit van 18 augustus 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 6 september 1999 niet-ontvankelijk verklaard omdat dit te laat is ingediend. Het bezwaar tegen de besluiten van 12 april 2002 en 17 februari 2003 is ongegrond verklaard.

2. Namens de werkgever is tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

2.1. De rechtbank heeft overwogen dat het beroep zich niet richt tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar dat was gericht tegen het besluit van 6 september 1999 maar dat het geschil zich toespitst op de vraag of appellant aan de werkneemster terecht, onder toepassing van het bepaalde in artikel 43a van de WAO, per 8 mei 2001 een WAO-uitkering heeft toegekend.

2.2. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat de ziekmelding van 22 september 1998 en de ziekmelding van 10 april 2001 niet zonder meer voortvloeien uit dezelfde oorzaak, waarbij de rechtbank met name betekenis heeft gehecht aan de opvatting van de bedrijfsarts. De oorzaak van de ziekmelding op 22 september 1998 is gelegen in pijnklachten van het rechterbeen voortkomend uit een reflexdystrofie. De bedrijfsarts van de werkgever heeft aangegeven dat de klachten in april 2001 worden veroorzaakt door aangeboren houdingsafwijkingen en de daarmee gepaard gaande overbelasting van de gewrichten. Er is volgens hem geen verband met het ongeval waardoor de werkneemster in 1998 is uitgevallen.

2.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van de werkgever gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Voorts is appellant veroordeeld in de proceskosten van de werkgever en is bepaald dat appellant het door de werkgever betaalde griffierecht dient te vergoeden.

2.4. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd. Daarbij heeft appellant verwezen naar de jurisprudentie van deze Raad waaruit blijkt dat buiten twijfel moet staan dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit een andere ziekteoorzaak, wil het bepaalde in artikel 43a van de WAO niet van toepassing zijn. Volgens appellant is er wel degelijk sprake van een zelfde ziekteoorzaak in 1998 en 2001. Bij het beroepschrift heeft appellant een rapport gevoegd van de bezwaarverzekeringsarts M.A. Peerden die aangeeft dat er sprake is van een somatisatiestoornis die al in 1998 bestond en zich steeds verder ontwikkeld heeft.

3. De Raad oordeelt als volgt.

3.1. Zoals hiervoor is aangegeven heeft appellant toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 43a, eerste lid, onder b, van de WAO. In dit artikelonderdeel wordt als eerste voorwaarde voor de toepassing daarvan genoemd dat de betrokkene na afloop van de in artikel 19, eerste lid van de WAO bedoelde wachttijd van 52 weken ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid, maar geen recht had op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat hij niet arbeidsongeschikt was. De werkgever heeft naast de medische argumenten die betrekking hebben op de vraag of er al dan niet sprake is van een zelfde ziekteoorzaak, ook aangevoerd dat er geen sprake kan zijn van toepassing van artikel 43a van de WAO omdat de werkneemster na afloop van de oorspronkelijke wachttijd in 1999 niet ongeschikt was voor haar eigen werk. Deze grief treft doel.

3.2. De Raad stelt vast dat niet is gebleken dat de arbeidsdeskundige die in september 1999 heeft geconcludeerd dat de werkneemster nog een aantal door hem geselecteerde functies kan vervullen waardoor geen verlies aan verdiencapaciteit resteert, ook een onderzoek heeft gedaan naar de vraag of het eigen werk nog geschikt voor haar zou zijn. Het betreffende rapport biedt daaromtrent in het geheel geen uitsluitsel. Naar het oordeel van de Raad kan in verband hiermee niet worden beoordeeld of is voldaan aan de wettelijke voorwaarde dat de werkneemster aan het einde van de wettelijke wachttijd van 52 weken arbeidsongeschikt was voor haar eigen werk. Om die reden kan aan artikel 43a van de WAO geen toepassing worden gegeven. De Raad komt hierdoor niet meer toe aan een beoordeling van de vraag of appellant er terecht van is uitgegaan dat sprake is van een zelfde ziekteoorzaak.

3.3. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak, zij het op geheel andere gronden, voor bevestiging in aanmerking komt.

3.4. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) appellant te veroordelen in de proceskosten van de werkgever in hoger beroep.

3.5. Deze kosten worden begroot op € 966,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Dit betreft een forfaitaire vergoeding, dus geen vergoeding van de werkelijke kosten, zoals deze namens de werkgever zijn geclaimd. Deze kosten zijn als volgt berekend. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) is het gewicht van de zaak bepaald op 1 (gemiddeld). Aan de diverse proceshandelingen worden ingevolge het Besluit punten toegekend. Een punt vertegenwoordigt een waarde van € 322,-. Voor het indienen van het verweerschrift door Bentum wordt 1 punt toegekend. Voor het indienen van de medische aanvulling op het verweerschrift door de arts-gemachtigde J.B.T. Schaafsma wordt, ingevolge het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onder f, juncto artikel 1, eerste lid, onder f, van het Besluit, een halve punt toegekend. Voor het bijwonen van de zitting door Bentum en Schaafsma worden respectievelijk

1 punt en een halve punt toegekend. Dit brengt het totaal aantal punten op 3, derhalve 3x

€ 322,-. Daarnaast dienen de reiskosten in hoger beroep van alleen Kip te worden vergoed, die worden begroot op € 29,10 (treinretour Meppel-Utrecht, 2e klas).

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van de werkgever in hoger beroep tot een bedrag groot € 995,10 te betalen door de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van

€ 422,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en

R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2008.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M. Lochs.

RB