Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD7441

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-07-2008
Datum publicatie
17-07-2008
Zaaknummer
06-4111 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijzonder geval ten aanzien van ingangsdatum WAO-uitkering. Onbekendheid met WAO is geen bijzondere omstandigheid. Psychische problematiek.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 35
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4111 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 6 juni 2006, 05/1487 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 juli 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. D. van der Wal, advocaat te Buitenpost. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door T. Hollander.

II. OVERWEGINGEN

1. De feiten waarvan de Raad uitgaat.

1.1. Appellant was in loondienst werkzaam bij [ naam werkgever].

De arbeidsovereenkomst is door de kantonrechter met ingang van 20 februari 1992 ontbonden. Met ingang van laatstgenoemde datum is hem een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Met ingang van 1 oktober 1992 is hem een uitkering ingevolge de toenmalige Rijksgroepsregeling werkloze werknemers toegekend.

1.2. Met een formulier Aanvraag WAO-uitkering, door de rechtsvoorganger van het Uwv ontvangen op 12 februari 2001, heeft appellant een arbeidsongeschiktheidsuitkering aangevraagd. Daarbij heeft hij aangegeven dat zijn eerste ziektedag 1 oktober 1991 is.

1.3. Bij besluit van 8 juni 2001 is hem een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geweigerd. Daarbij is vastgesteld dat de voor appellant geldende eerste arbeidsongeschiktheidsdag 13 december 1994 is. Aan de weigering de laatstgenoemde uitkering te verlenen is ten grondslag gelegd dat appellant op de eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet werkzaam was in een privaatrechtelijke- publiekrechtelijke- of daarmee gelijkgestelde dienstbetrekking. Tevens ontving hij geen Ziektewet- of WW-uitkering. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 12 april 2002 ongegrond verklaard. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 12 april 2002. De rechtbank heeft in de bij haar aanhangige procedure de zenuwarts J.M.E. van Zandvoort verzocht haar als deskundige rapport uit te brengen. Van Zandvoort heeft op 8 november 2004 rapport uitgebracht. Naar aanleiding hiervan heeft het Uwv meegedeeld zijn standpunt, neergelegd in het besluit van 12 april 2002 niet te handhaven. Bij uitspraak van 11 februari 2005 heeft de rechtbank dat besluit vernietigd.

1.4. Bij besluit van 20 juli 2005 heeft het Uwv opnieuw beslist op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 juni 2001. Uitgaande van de door Van Zandvoort aangenomen eerste arbeidsongeschiktheidsdag 20 februari 1992 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant nadien gedurende 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest. Hem is met ingang van 12 februari 2000, onder toepassing van artikel 35, tweede lid, van de WAO, een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 20 juli 2005 ongegrond verklaard. Zij heeft de vraag ontkennend beantwoord of zich ten aanzien van appellant een bijzonder geval in de zin van de tweede volzin van artikel 35, tweede lid, van de WAO voordoet, op grond waarvan, in afwijking van de eerste volzin van dat lid, de uitkering op een vroeger tijdstip dan één jaar vóór de dag waarop de aanvraag werd ingediend, kan ingaan. De rechtbank was van oordeel dat zich een dergelijk geval niet voordeed. Daarbij heeft zij het geval van appellant bezien in het licht van de volgens haar door het Uwv gehanteerde, en door haar terughoudend getoetste, maatstaf, dat ten aanzien van een betrokkene, wil een dergelijk geval wel aanwezig geacht kunnen worden, sprake moet zijn van een zodanige psychische ontreddering dat redelijkerwijze niet van hem gevergd kon worden dat hij zijn aanvraag eerder deed dan uiteindelijk is gebeurd.

3. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

3.1. Tussen partijen is niet langer in geschil dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van appellant moet worden gesteld op 20 februari 1992.

3.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad, zie bijvoorbeeld zijn uitspraak van

9 december 1992, LJN AK9775, RSV 1993/97, is de aanwezigheid van een bijzonder geval als bedoeld voorwaarde voor het ontstaan van de bevoegdheid tot het stellen van een langere dan de in artikel 35, tweede lid, van de WAO voorziene termijn van een jaar, betreffende het ingaan van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Derhalve zal eerst in volle omvang dienen te worden getoetst of aan die voorwaarde is voldaan. Eerst wanneer dat het geval is, kan worden beoordeeld of de - eventuele - uitoefening van evenbedoelde discretionaire bevoegdheid de toetsing van de rechter kan doorstaan. Volgens eveneens vaste rechtspraak van de Raad, zie bijvoorbeeld zijn uitspraak van 10 juni 2005,

LJN AT7641, moet van een bijzonder geval in de thans aan de orde zijnde zin worden gesproken, indien de betrokken verzekerde terzake van een verlate aanvraag redelijkerwijs gesproken niet geacht kan worden in verzuim geweest te zijn. Dit zal onder meer het geval zijn wanneer de verzekerde - mede als gevolg van zijn geestelijke gezondheidstoestand - het inzicht in de ernst, de aard en de duurzaamheid van zijn psychische problematiek heeft ontbroken en om die reden heeft nagelaten eerder een aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering in te dienen.

3.3. De Raad is van oordeel dat zich ten aanzien van appellant geen bijzonder geval voordoet in de hier bedoelde zin.

3.3.1. Appellant heeft eerder verklaard, en hij heeft dit tijdens de zitting herhaald, dat hij niet eerder een aanvraag heeft gedaan om een arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat hij niet op de hoogte was van het bestaan van de wettelijke mogelijkheid daartoe. Naar vaste jurisprudentie van de Raad levert onbekendheid met het bestaan van een regeling als hier aan de orde geen bijzonder geval op als bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de WAO.

3.3.2. Verder heeft appellant ter zitting bevestigd dat hij bij zijn uitval onmiddellijk besefte dat hij ernstig ziek was. Ook uit de gedingstukken blijkt dat dit besef bij appellant vanaf zijn uitval reeds aanwezig was. De Raad volgt appellant dan ook niet in zijn, onder verwijzing naar de in 3.2 vermelde uitspraak van de Raad van 10 juni 2005, opgeworpen stelling dat gedurende de gehele periode van 20 februari 1993, zijnde de dag dat de wachttijd verstreken was, tot de datum waarop de aanvraag is gedaan, hem mede als gevolg van zijn geestelijke gezondheidstoestand het inzicht in de ernst, de aard en de duurzaamheid van zijn psychische problematiek heeft ontbroken en dat hij om die reden heeft nagelaten eerder een aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering in te dienen. Appellant heeft nog verwezen naar het rapport van Van Zandvoort waarin de deskundige vermeldt dat een aan appellants persoonlijkheidsstructuur gekoppelde neiging niet voor zich zelf op te komen een rol gespeeld zou kunnen hebben bij de late ziekmelding.

De Raad kan in het licht van appellants mededeling dat hij een WAO-uitkering had aangevraagd, nadat hij door een collega was gewezen op de mogelijkheid daartoe, in deze opmerking van deze deskundige geen aanwijzing zien voor de juistheid van appellants betoog.

3.4. Gezien hetgeen in 3.3 is overwogen heeft de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand gelaten.

3.5. Omdat de rechtbank, naar aanleiding van het verhandelde ter harer zitting, tot haar oordeel is gekomen via een redenering die de Raad niet kan onderschrijven, zal de aangevallen uitspraak worden bevestigd onder verbetering van gronden.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en H. Bedee. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2008.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) R.L. Rijnen.

RB