Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD7432

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-07-2008
Datum publicatie
17-07-2008
Zaaknummer
06-1884 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. Arbeidskundige grondslag onvoldoende daadkrachtig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1884 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 17 februari 2006, 05/1318 (hierna: de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 juli 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.A.J.M. Driessen, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2008. Appellante was in persoon aanwezig vergezeld van mr. J. Zeijlmans, kantoorgenoot van mr. Driessen.

Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door J.J.C. Röttjers.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante, werkzaam als administratief medewerkster voor 32 uur per week, heeft zich per 14 april 1998 ziek gemeld in verband met rugklachten. Na afloop van de wettelijke wachttijd is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordeling is zij onderzocht door een arts van het Uwv en heeft arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. De door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen zijn opgenomen in een zogenoemde Functionele mogelijkhedenlijst (FML). Het Uwv is naar aanleiding van de eerder bedoelde rapporten tot de conclusie gekomen, dat appellante met gangbare arbeid nog een zodanig inkomen kan verdienen dat een verlies aan verdiencapaciteit resteert van 15 tot 25%. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 27 augustus 2004 de WAO-uitkering van appellante per 27 oktober 2004 herzien naar een percentage van 15 tot 25%.

2. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen voormeld besluit. Daarbij heeft zij, kort weergegeven, gesteld dat zij meer beperkingen ondervindt dan door het Uwv is aangenomen. De bezwaarverzekeringsarts D. Ubbink heeft op 17 februari 2004

(lees: 2005) rapport uitgebracht. De bezwaararbeidsdeskundige H.A.M. Hulshof heeft in zijn rapport van 8 maart 2005 geconcludeerd dat drie eerder voor appellante geselecteerde functies inderdaad geschikt voor haar zijn te achten. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 24 maart 2005 (hierna het bestreden besluit) het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

3.1. Namens appellante is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij is herhaald hetgeen in bezwaar naar voren was gebracht en is gewezen op informatie van onder andere haar behandelend orthopedisch chirurg F.B. Langius, haar behandelend internist en haar KNO-arts.

3.2. De rechtbank heeft, na de bezwaarverzekeringsarts Ubbink voornoemd om een nader commentaar te hebben gevraagd (welke deze op 9 november 2005 heeft gegeven), het beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven en geoordeeld, dat de door appellante in het geding gebrachte informatie niet doorslaggevend is te achten. Ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank voldoende deugdelijk bevonden.

4. In hoger beroep is namens appellante opnieuw gesteld dat zij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen; ter zitting is daaraan toegevoegd dat zij twee van de drie geduide functies niet kan uitoefenen omdat daarin sprake is van (kortcyclisch) torderen over meer dan 45 graden, terwijl 40 graden het voor haar aangegeven maximum is.

5.1. De Raad oordeelt als volgt.

5.2. De Raad kan, met de rechtbank, de medische grondslag van de schatting onderschrijven. De informatie van de behandelend artsen van appellante leidt niet tot de conclusie dat in onvoldoende mate met haar beperkingen rekening is gehouden.

5.3. De Raad constateert vervolgens, dat in de FML onder het item torderen is vermeld: “beperkt namelijk 40 graden in lage frequentie”. In twee van de drie geselecteerde functies, te weten de meeste fb-codes van de telefonisten-functies en twee fb-codes van de geselecteerde functie productiemedewerker industrie, wordt echter bij het aspect

(kortcyclisch) torderen aangegeven dat (soms) tot 45 graden getordeerd moet worden.

De bezwaararbeidsdeskundige had gelet hierop ofwel de bedoelde functies direct dienen te verwerpen ofwel overleg dienen te plegen met de (bezwaar) verzekeringsarts omtrent de vraag of deze overschrijding van de belastbaarheid (alsnog) toelaatbaar zou zijn te achten. In elk geval kon hij niet volstaan met het in diens hiervoor vermelde rapport van

8 maart 2005 gegeven commentaar, dat de frequentie waarmee getordeerd moet worden niet hoog is. Immers de frequentie diende volgens de FML bij 40 graden reeds laag te zijn, zodat deze bij 45 graden nog (veel) lager zou moeten zijn en daarvan blijkt niets terwijl evenmin blijkt of 45 graden torderen zonder meer wel voor appellante mogelijk is.

De arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit moet derhalve, zonder de bedoelde nadere toelichting, nu bij het wegvallen van de bedoelde functies de basis aan de schatting komt te ontvallen, als onvoldoende draagkrachtig worden aangemerkt.

5.4. Het voorgaande betekent, dat het hoger beroep slaagt en dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt. Hetzelfde geldt voor de aangevallen uitspraak waarbij dit besluit in stand is gelaten.

5.5. De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep, te begroten op € 644,- in beroep en € 644,- in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot in totaal € 1288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,- aan appellante vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en J. Riphagen en

J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

M.C.T.M. Sonderegger als griffier, in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2008.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

RB