Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD7413

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-07-2008
Datum publicatie
17-07-2008
Zaaknummer
07-2517 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering i.v.m. niet gemelde inkomsten uit arbeid. Schending inlichtenverplichting, waardoor recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Beleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2517 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 20 april 2007, 06/4590 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Midden-Langstraat (hierna: Dagelijks Bestuur)

Datum uitspraak: 15 juli 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Dagelijks Bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2008. Appellante is verschenen. Het Dagelijks Bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. van Dijk, werkzaam bij de Intergemeentelijke Sociale Dienst Midden-Langstraat.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving van 15 december 2001 tot 1 februari 2006 bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Vervolgens ontving appellante een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet.

1.2. In het kader van een heronderzoek is het Dagelijks Bestuur gebleken dat appellante beschikte over een rekening bij de Rabobank die zij niet eerder had opgegeven. Een en ander was voor het Dagelijks Bestuur aanleiding een onderzoek in te stellen naar de rechtmatigheid van de aan appellante vanaf 15 december 2001 verleende bijstand. In dat kader is een huisbezoek afgelegd, is appellante verhoord en zijn stukken opgevraagd.

1.3. In de bevindingen van het onderzoek heeft het Dagelijks Bestuur aanleiding gezien om bij besluit van 1 mei 2006 de bijstand van appellante over de periode van 15 december 2001 tot en met 31 januari 2006 in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 49.902,50 van appellante terug te vorderen.

1.4. Het tegen het besluit van 1 mei 2006 gemaakte bezwaar is bij besluit van 21 augustus 2006 ongegrond verklaard. Het Dagelijks Bestuur heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat appellante de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg hiervan het recht op bijstand over de in geding zijnde periode niet kan worden vastgesteld.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 21 augustus 2006 ongegrond verklaard.

2.1. Appellante zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1. Uit de gedingstukken blijkt dat appellante gedurende de gehele hier in geding zijnde periode een aantal keren per maand op rommelmarkten stond, daar een kraam huurde en spullen verkocht. Ter zitting van de Raad heeft appellante desgevraagd verklaard dat dit voornamelijk rommelmarkten in en nabij haar woonplaats waren maar dat zij daarvoor ook wel naar Amsterdam ging. Appellante heeft van deze activiteiten geen melding gemaakt. De Raad is van oordeel dat appellante met deze bezigheden zodanige inkomsten kon verwerven, zeker gelet op de schaal waarop deze plaats vonden, dat het haar redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat een en ander van invloed kon zijn op de (omvang van) haar recht op bijstand. Hiermee staat vast dat appellante de haar ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet respectievelijk artikel 17, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) heeft geschonden.

3.2. Naar vaste rechtspraak van de Raad levert schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan betrokkene om feiten te stellen - en zonodig te bewijzen - dat, indien wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan, over de betreffende periode (aanvullend) recht op bijstand bestond. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante hierin niet is geslaagd. Kortheidshalve verwijst de Raad naar de overwegingen van de rechtbank op dit punt, waarmee hij zich kan verenigen.

3.3. De schending van de inlichtingenverplichting heeft het gevolg gehad dat aan appellant over de in geding zijnde periode ten onrechte bijstand is verleend. Het Dagelijks Bestuur was dan ook bevoegd om de bijstand van appellante met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB in te trekken.

3.4. Het Dagelijks Bestuur heeft gehandeld in overeenstemming met de ter zake van de intrekking door de Raad niet onredelijk geachte beleidregels. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het Dagelijks Bestuur met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van die beleidsregels had moeten afwijken.

3.5. Dat brengt tevens met zich dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het Dagelijks Bestuur bevoegd was tot terugvordering. Het Dagelijks Bestuur heeft gehandeld in overeenstemming met de ter zake van terugvordering gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte beleidsregels. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het Dagelijks Bestuur met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb van het beleid had moeten afwijken. Meer in het bijzonder merkt de Raad in dit verband nog op dat de financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering zich in het algemeen pas voordoen indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. In dat kader vindt een belanghebbende als schuldenaar bescherming in de regels omtrent de beslagvrije voet als neergelegd in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

3.6. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

3.7. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en R.H.M. Roelofs en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) W. Altenaar.

CB