Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD7241

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2008
Datum publicatie
15-07-2008
Zaaknummer
06-2351 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevoegdheid. Herziening en terugvordering BWOO-uitkering. Aanspraak op en terugvordering WNU-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2351 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 maart 2006, 05/223 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellant

en

1. de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: minister), en

2. het College van bestuur van de Erasmus Universiteit Rotterdam (hierna: college)

Datum uitspraak: 3 juli 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. N.B. de Neef, advocaat te Dordrecht, en mr. E. Milders, belasting-adviseur te Rotterdam. Het college en de minister hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Moltmaker, advocaat te Amersfoort.

II. OVERWEGINGEN

1. Partijen en besluiten in geding.

1.1. Na zijn ontslag als universitair docent aan de Erasmus Universiteit Rotterdam (hierna: EUR) is appellant met ingang van 15 juni 1995 een uitkering op grond van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (BWOO) toegekend. Deze uitkering was gebaseerd op een arbeidsurenverlies van 22,48 uur. Daarnaast was er sprake van 15,12 zogenoemde “aangehouden uren”, waarin appellant sedert 1984 werkzaam-heden verrichtte in zijn eigen onderneming [naam onderneming]. Bij besluiten van 10 mei 2004 en 25 mei 2004 is appellant namens de minister door het Uitvoerings-instituut werknemersverzekeringen (Uwv) medegedeeld dat zijn uitkering over de periode van 1 mei 1999 tot 1 maart 2004 (vanaf deze laatste datum was de uitkering reeds geschorst) is herberekend en dat de over die periode verstrekte BWOO-uitkering van in totaal € 120.066,78 van hem wordt teruggevorderd. Bij het bestreden besluit van 25 november 2004 zijn namens de minister de bezwaren van appellant tegen deze besluiten ongegrond verklaard.

1.2. Bij brief van 22 februari 2005 heeft het Uwv medegedeeld dat, gelet op het Besluit decentralisatie arbeidsvoorwaardenvorming universiteiten, hogescholen en onderzoek-instellingen (Staatsblad 1999, 528), op appellant de Werkloosheidsregeling Nederlandse Universiteiten (WNU) van toepassing is geworden en dat het bestreden besluit geacht moet worden te zijn genomen namens het college.

1.3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het college aanvaard als procespartij en niet (tevens) de minister. De Raad acht dit laatste niet juist. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 18 januari 2007, LJN AZ8749 en TAR 2007, 82) is tot 17 december 1999 sprake van een BWOO-uitkering ten aanzien waarvan de minister bevoegd is. In zoverre is het bestreden besluit bevoegd genomen namens de minister. De Raad heeft de minister dan ook (desgevraagd) als partij in het geding betrokken.

1.4. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is het college vanaf 17 december 1999 bevoegd om tot herziening en terugvordering van de uitkering van appellant over te gaan. Op grond van artikel V van de WNU werd de door appellant op 16 december 1999 genoten BWOO-uitkering met ingang van 17 december 1999 voortgezet als een uitkering op grond van de WNU (voor zover hier van belang zakelijk gelijkluidend aan het BWOO). Het college heeft het bestreden besluit over de periode 17 december 1999 tot 1 maart 2004 in zoverre bevoegd voor zijn rekening kunnen nemen. Het college is - voor dit deel - terecht door de rechtbank als partij aangemerkt.

1.5. Uit het vorenstaande volgt dat de minister bij het bestreden besluit ten onrechte over de periode na 16 december 1999 heeft beslist en dat het bestreden besluit in zoverre niet in stand kan blijven.

Het college heeft het bestreden besluit ten onrechte over de periode tot 17 december 1999 voor zijn rekening genomen. In zoverre kan het bestreden besluit evenmin in stand blijven.

De Raad zal onderzoeken of er aanleiding bestaat om op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel of gedeeltelijk in stand te laten.

2. Het besluit voor zover bevoegd genomen door de minister.

2.1. De herziening van de BWOO-uitkering.

2.1.1. Bij het bestreden besluit heeft de minister (primair) overwogen dat het recht op uitkering van appellant in 1996 is geëindigd als gevolg van zijn verhuizing naar de Verenigde Staten. De minister baseert zijn oordeel op de uitkomsten van een fraude-onderzoek, ingesteld naar aanleiding van gegevens die zijn verkregen van de Belasting-dienst. In het bijzonder beroept de minister zich op een brief van appellant van 14 mei 2001 aan de Belastingdienst te Rotterdam, waarin appellant meedeelt met ingang van 1996 te zijn verhuisd naar [plaatsnaam] in [naam staat], Verenigde Staten, en dat daar vanaf 1996 zijn vaste woon- en verblijfplaats is. Ook is appellant door de Belastingdienst over de jaren 1998 tot en met 2001 aangemerkt als fictief buitenlands belastingplichtige, hetgeen slechts mogelijk is, indien men vanuit het buitenland voor een Nederlandse werkgever werkzaamheden gaat verrichten.

2.1.2. Appellant bestrijdt dat hij in 1996 in de Verenigde Staten is gaan wonen. Volgens appellant is in 1996 alleen zijn gezin naar de Verenigde Staten verhuisd, maar heeft hij zelf steeds zijn woon- en verblijfplaats in Nederland gehad en heeft hij ook al die jaren in Nederland, op verschillende adressen in Rotterdam, ingeschreven gestaan in de gemeentelijke basisadministratie. Volgens appellant is hij bij wijze van compromis en feitelijk contra legem door de Belastingdienst als fictief buitenlands belastingplichtige aangemerkt.

2.1.3. De Raad volgt appellant hierin niet en acht het standpunt van de minister juist. Reeds in een brief van 30 juni 1997 aan de Belastingdienst wordt door appellant melding gemaakt van zijn verhuizing naar de Verenigde Staten, zij het dat daarbij wordt aangetekend dat van een permanente vestiging nog geen sprake is, vanwege het ontbreken van een plaatsvervanger in Nederland. In de brief van 14 mei 2001 meldt appellant opnieuw dat hij begin 1996 naar de Verenigde Staten is verhuisd, aldaar gedurende meer dan 180 dagen per jaar actief is namens [naam onderneming] en een en ander met bewijzen kan staven. Hoewel de Belastingdienst zich in een brief van 26 november 2001 nog op het standpunt stelt dat niet is gebleken dat appellant niet meer in Nederland woont, heeft appellant kennelijk de Belastingdienst van het tegendeel weten te overtuigen, want in de brief van 20 mei 2003 komt deze dienst hiervan terug en wordt appellant alsnog aangemerkt als fictief buitenlands belastingplichtige in de zin van het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 29 mei 1995, DB95-119M. Hierdoor kon appellant aanspraak maken op een extra belastingvrije vergoeding (de zogenoemde 35%-regeling). Weliswaar wordt in die brief opgemerkt dat appellant in principe niet in aanmerking komt voor de 35%-regeling, maar dat betreft slechts het feit dat appellant niet vooraf een verzoek om toepassing van de regeling heeft ingediend en de regeling in beginsel niet met terugwerkende kracht wordt toegepast. De reden dat het verzoek toch wordt gehonoreerd, is dat appellant materieel aan de eisen voldoet. Eén van die eisen was nu juist dat appellant als werknemer uit het buitenland was aangeworven.

2.1.4. Nu appellant meermalen heeft aangegeven te zijn verhuisd naar het buitenland en dit door de Belastingdienst ook is geaccepteerd, is de Raad van mening dat ook de minister hiervan mocht uitgaan. Dit zou slechts anders zijn indien appellant duidelijk zou aantonen dat zijn feitelijke situatie niet in overeenstemming was met hetgeen hij daarover tegenover de Belastingdienst heeft verklaard. Naar het oordeel van de Raad is appellant hierin niet geslaagd.

2.1.5. De door appellant in geding gebrachte bescheiden, waaruit zou moeten blijken dat hij niet in de Verenigde Staten heeft gewoond, zijn daarvoor niet voldoende. In de eerste plaats hebben die gegevens betrekking op de jaren 1998 tot en met 2004 en hoewel de terugvordering de jaren 1999 tot en met 2004 betreft, zijn ten aanzien van de vraag of het recht op uitkering van appellant terecht is geëindigd (en eventueel nog kan herleven) de jaren 1996 en 1997 relevant. Over die jaren heeft appellant geen gegevens verstrekt. Dat appellant (ook) gedurende die jaren regelmatig in Nederland heeft verbleven, wil de Raad aannemen en wordt ook door de minister niet betwist, maar is niet afdoende om te weerleggen dat de feitelijke woon- en verblijfplaats, het hoofdverblijf, van appellant toen in de Verenigde Staten lag.

2.1.6. Ook het feit dat appellant door de strafrechter is vrijgesproken, is hiertoe onvol-doende. Uit het vonnis blijkt slechts dat niet wettig en overtuigend bewezen is geacht dat appellant opzettelijk valselijk geen melding heeft gemaakt van een of meer adres-wijzigingen en van zijn verblijf in het buitenland. Over het al dan niet in het buitenland wonen of verblijven van appellant heeft de strafrechter zich niet uitgesproken.

2.1.7. Op grond van het vorenstaande komt de Raad dan ook tot het oordeel dat de minister op grond van de voorhanden zijnde gegevens ervan mocht uitgaan dat appellant in 1996 naar de Verenigde Staten is verhuisd. Op grond van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder f, van het BWOO heeft de betrokkene die buiten Nederland verblijf houdt anders dan wegens vakantie geen recht op uitkering, zodat de uitkering terecht alsnog op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, van het BWOO met terugwerkende kracht is geëindigd.

2.1.8. Anders dan appellant ter zitting heeft aangevoerd, is het recht op uitkering ook niet herleefd. Op grond van artikel 7, derde lid, van het BWOO kan het recht op uitkering dat is geëindigd op grond van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder f, slechts herleven indien het recht niet langer dan 6 maanden is geëindigd geweest. Die termijn blijft alleen buiten toepassing ten aanzien van de betrokkene die op de laatste dag van die termijn 57,5 jaar of ouder was. Appellant is uiterlijk medio 1996 naar de Verenigde Staten verhuisd en gesteld noch gebleken is dat appellant zich binnen 6 maanden nadien weer in Nederland heeft gevestigd. Evenmin heeft appellant, geboren in 1943, in die periode de leeftijd van 57,5 jaar bereikt.

2.1.9. Uit het vorenstaande volgt dat de minister zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat het recht op uitkering per 1996 is geëindigd. Van herleving van dat recht op enig moment is geen sprake. Hieruit volgt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand worden gelaten, voor zover dit de beëindiging van de uitkering in 1996 betreft.

2.2. De terugvordering van de BWOO-uitkering.

2.2.1. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat appellant vanaf 1996 tot 17 december 1999 ten onrechte BWOO-uitkering heeft ontvangen Op grond van artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van het BWOO kan hetgeen onverschuldigd is betaald, worden terug-gevorderd gedurende vijf jaar na de dag van betaalbaarstelling indien door toedoen van de betrokkene onverschuldigd is betaald, dan wel op grond van artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, van het BWOO gedurende twee jaar na de dag van betaalbaarstelling in de overige gevallen waarin betrokkene redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat onverschuldigd werd betaald.

2.2.2. In het besluit van 25 mei 2004 staat met zoveel woorden dat wordt teruggevorderd op grond van het bepaalde onder “a” van artikel 21, eerste lid, van het BWOO omdat sprake is van toedoen van appellant. Aan appellant kan worden toegegeven dat uit het bestreden besluit, waarin gesproken wordt van “redelijkerwijs duidelijk”, zou kunnen worden afgeleid dat wordt teruggevorderd op grond van het bepaalde onder “b” van artikel 21, eerste lid, van het BWOO (in welk geval de minister niet meer zou kunnen terugvorderen). Nu echter in het besluit van 25 mei 2004 wordt gesproken over terugvordering op grond van het bepaalde onder “a” en bij het bestreden besluit het bezwaar tegen dat besluit ongegrond is verklaard, moet ervan worden uitgegaan dat bedoelde overweging in het bestreden besluit op een vergissing berust. De stelling van appellant dat het besluit op dit punt in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel onderschrijft de Raad dan ook niet.

2.2.3. Met de minister en de rechtbank is de Raad van oordeel dat er door toedoen van appellant, namelijk door het niet doorgeven van zijn verhuizing naar de Verenigde Staten, ten onrechte uitkering is betaald. Dat het college destijds van zijn activiteiten en regelmatig verblijf buitenslands op de hoogte zou zijn geweest, zoals ter zitting door appellant is benadrukt, doet hieraan, wat er verder ook van zij, niet af. Gesteld noch gebleken is immers dat de minister, destijds belast met de uitvoering van het BWOO, hiervan op de hoogte kon zijn. Uitgaande van de datum waarop appellant is medegedeeld dat tot terugvordering zou worden overgegaan, is de minister binnen de vijfjaarstermijn gebleven.

2.2.4. Blijkens het besluit van 25 mei 2004 is aan appellant over de periode 1 mei 1999 tot 1 maart 2004 een bedrag van € 120.066,78 teveel uitgekeerd. Uit dat besluit noch uit het bestreden besluit valt echter af te leiden tot welk bedrag de minister over de periode waarover hij bevoegd is, te weten van 1 mei 1999 tot 17 december 1999, ten onrechte heeft betaald. Onder deze omstandigheid kunnen de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit, voor zover daarbij het terugvorderingsbesluit is gehandhaafd, niet in stand worden gelaten. De minister zal een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen, met inachtneming van deze uitspraak.

3. Het besluit voor zover bevoegd genomen door het college.

3.1. De aanspraak op WNU-uitkering.

3.1.1. Zoals hiervoor onder 1.4 reeds is aangehaald, bepaalt artikel V van de WNU dat het recht op uitkering van de betrokkene die op 16 december 1999 recht heeft op uitkering krachtens het BWOO, met ingang van 17 december 1999 wordt voortgezet op grond van het bepaalde in de WNU.

3.1.2. Gelet op hetgeen onder 2.1.7 en 2.1.8 is overwogen, heeft appellant op 16 december 1999 geen recht op uitkering krachtens het BWOO, zodat op 17 december 1999 evenmin sprake kan zijn van voortzetting van dat recht op grond van de WNU. Het college heeft derhalve terecht beslist dat appellant geen recht heeft op een werkloos-heidsuitkering, zij het dat die afwijzing gebaseerd had dienen te zijn op de grond dat op 17 december 1999 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de WNU. Nu de Raad het college bevoegd acht om een desbetreffend nieuw, correct besluit, gebaseerd op (het overgangsrecht van) de WNU te nemen, heeft hij het geraden geacht deze overweging in het belang van partijen te geven.

3.2. De terugvordering van de WNU-uitkering.

3.2.1. Nu appellant geen aanspraak heeft verkregen op een WNU-uitkering is deze uitkering ten onrechte betaald. Indien appellant zijn verhuizing naar de Verenigde Staten zou hebben gemeld, zoals van hem mocht worden verlangd, was de BWOO-uitkering geëindigd in 1996 en had appellant nimmer aanspraak gehad op een WNU-uitkering. Het college is dus bevoegd om wegens “toedoen” op basis van artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de WNU de over de vanaf 17 december 1999 ten onrechte betaalde uitkering terug te vorderen. Het feit dat het college eerst op 22 februari 2005 het besluit van 25 november 2004 voor zijn rekening heeft genomen, betekent niet dat de in artikel 21 genoemde termijn van vijf jaar eerst dan (opnieuw) gaat lopen. Bepalend is de eerste terugvorderingshandeling, waaronder volgens vaste jurisprudentie moet worden verstaan een ondubbelzinnige schriftelijke mededeling dat tot terugvordering wordt overgegaan. Een zodanige mededeling is appellant bij besluit van 10 mei 2004 gedaan, zodat (ook) het college binnen de vijfjaarstermijn is gebleven. Dat de eerste terugvorderingshandeling is gedaan door de niet bevoegde minister komt naar het oordeel van de Raad in de gegeven omstandigheden geen gewicht van betekenis toe.

3.2.2. Onder verwijzing naar hetgeen onder 2.2.4 is overwogen, stelt de Raad vast dat uit de stukken niet duidelijk is tot welk bedrag teveel WNU-uitkering aan appellant is betaald. Om deze reden bestaat er hier evenmin aanleiding tot het in stand laten van de rechtsgevolgen van het besluit van het college, voor zover daarbij het terugvorderings-besluit is gehandhaafd. Het college dient hierover een nieuw besluit te nemen.

4. Conclusie.

4.1. De rechtbank heeft ten onrechte de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten, voor zover daarbij het terugvorderingsbesluit is gehandhaafd, zodat de aange-vallen uitspraak niet in stand kan blijven. Mede uit een oogpunt van duidelijkheid geeft de Raad er de voorkeur aan deze uitspraak geheel te vernietigen en te bepalen dat de minister en het college ieder over de periode waarover zij bevoegd zijn, een nieuw besluit op bezwaar nemen.

4.2. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding de minister en het college op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten bedragen zowel in beroep als hoger beroep € 644,-. Het komt de Raad redelijk voor te bepalen dat de minister en het college dat bedrag elk voor de helft betalen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij het terugvorderingsbesluit is gehandhaafd;

Draagt de minister en het college op elk een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een totaal bedrag van € 644,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Veroordeelt het college in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de Erasmus Universiteit Rotterdam;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden en de Erasmus Universiteit Rotterdam aan appellant elk de helft van het door hem in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 248,- vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en J.Th. Wolleswinkel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2008.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M.B. de Gooijer.

HD