Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD7236

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2008
Datum publicatie
15-07-2008
Zaaknummer
06-4948 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Disciplinaire straf van plaatsing in lagere salarisschaal. Plichtsverzuim. Niet behalen van vereiste PDA. Onrechtmatige tewerkstelling. Evenredigheid. Definitieve afdoening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4948 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 13 juli 2006, 06/239 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van bestuur van het Landelijk Selectie en Opleidingscentrum (LSOP) (hierna: college)

Datum uitspraak: 3 juli 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. W.J. Dammingh, werkzaam bij de Nederlandse Politie Bond. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.G. van den Bergh, werkzaam bij het LSOP.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was werkzaam als docent B bij het LSOP, locatie [locatie 1]. Deze functie was gewaardeerd op het niveau van salarisschaal 9. Aangezien appellant naast deze functie ook coördinerende werkzaamheden verrichtte, was hij ingedeeld in salarisschaal 10.

1.2. Bij besluit van 13 februari 2004 heeft het college appellant met toepassing van artikel 64 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) voor onbepaalde tijd in de functie van docent B tewerkgesteld op de locatie [locatie 2]. Dit besluit is, na bezwaar, bij besluit van 23 september 2004 gehandhaafd.

1.3. Begin maart 2004 is appellant met zijn werkzaamheden in [locatie 2] begonnen.

Bij besluit van 8 november 2004 heeft het college appellant met toepassing van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Barp met ingang van 1 december 2004 de straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd, vanwege het niet behalen van de voor de uitoefening van zijn functie sinds 1 januari 2002 vereiste Pedagogisch Didactische Aantekening (PDA) en vanwege het bewust laten ontstaan van een onwerkbare arbeidsrelatie. Dit ontslagbesluit is, na bezwaar, bij besluit van 20 april 2005 gehandhaafd.

1.4. Bij uitspraak van 7 september 2005 heeft de rechtbank de tegen de besluiten van 23 september 2004 en 20 april 2005 ingestelde beroepen gegrond verklaard en deze besluiten vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank ten aanzien van de overplaatsing overwogen dat het college niet heeft aangetoond dat appellant de sfeer en de onderlinge verhoudingen op de locatie [locatie 1] negatief heeft beïnvloed, zodat niet is komen vast te staan dat het belang van de dienst de overplaatsing van appellant vorderde. Tevens was de rechtbank niet gebleken dat er een afweging had plaatsgevonden tussen het door het college geschetste dienstbelang en de persoonlijke belangen van appellant, waarbij onder meer gewezen werd op zijn bij het college bekende medische klachten.

Wat betreft het strafontslag heeft de rechtbank overwogen dat het niet behalen van de PDA kan worden aangemerkt als plichtsverzuim en dat het voorstelbaar is dat bij het college het vertrouwen in appellants functioneren is weggevallen als gevolg van het veelvuldig verzuim, waarvoor appellant geen bevredigende verklaring heeft gegeven, maar dat er geen sprake is van het bewust frustreren van de werkrelatie. Naar het oordeel van de rechtbank is het college wel bevoegd tot het opleggen van een disciplinaire straf, maar is de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet evenredig aan de ernst van het gepleegde plichtsverzuim. Tegen deze uitspraak hebben partijen geen hoger beroep ingesteld.

1.5. Ter uitvoering van die uitspraak heeft het college bij het thans bestreden besluit van 22 december 2005 het primaire besluit van 8 november 2004 in die zin herzien dat appellant met ingang van 1 januari 2006 met toepassing van de artikelen 76 en 77 van het Barp de disciplinaire straf is opgelegd van plaatsing voor onbepaalde tijd in een lagere salarisschaal, te weten salarisschaal 8. Tevens is betrokkene mede vanwege zijn problemen ten gevolge van rugklachten met de lange reisafstand tussen zijn woonplaats [woonplaats] en de locatie [locatie 2], teruggeplaatst op de locatie [locatie 1 in de functie van administratief medewerker/planner. Die functie is gewaardeerd op het niveau van salarisschaal 7.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank vastgesteld dat dat beroep uitsluitend was gericht tegen de opgelegde straf van plaatsing in een lagere salarisschaal en geoordeeld dat de opgelegde straf niet onevenredig is aan het gepleegde plichtsverzuim.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad als volgt.

3.1. Allereerst stelt de Raad vast dat partijen geen hoger beroep hebben ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 13 september 2005, zodat deze uitspraak in rechte vast staat en bij de beoordeling van dit geschil als uitgangspunt dient te worden genomen.

3.2. In dit geding is uitsluitend nog de vraag aan de orde of de straf van plaatsing in een lagere salarisschaal voor onbepaalde tijd niet onevenredig is aan het door de rechtbank in zijn uitspraak van 13 september 2005 vastgestelde en hierboven in rechtsoverweging 1.4 nader omschreven plichtsverzuim.

3.3. De Raad is van oordeel dat de straf om appellant voor onbepaalde tijd twee salarisschalen lager te plaatsen, waardoor appellants vaste salaris maandelijks met circa € 570,- bruto is verminderd, niet evenredig is aan de aard en de ernst van het gepleegde plichtsverzuim.

Bij de vorming van dit oordeel heeft de Raad laten wegen dat als gevolg van de uitspraak van de rechtbank van 13 september 2005 is komen vast te staan dat appellant in maart 2004 ten onrechte is tewerkgesteld in [locatie 2]. De Raad is van oordeel dat appellants plichtsverzuim met deze onrechtmatige tewerkstelling verband heeft gehouden. Appellant had als gevolg van zijn rugklachten problemen met de lange reisafstand tussen zijn woonplaats [woonplaats] en [locatie 2]. In verband daarmee heeft appellant zich veelvuldig ziek gemeld. Deze ziekmeldingen zijn steeds volledig door het college geaccepteerd, ook wanneer appellant zich vanwege algehele malaise, verslapen of moeheid had ziek gemeld.

Mede als gevolg van die vele ziekmeldingen heeft appellant in totaal slechts gedurende enkele weken werkzaamheden kunnen verrichten op de locatie [locatie 2]. Daardoor waren de randvoorwaarden om de PDA te behalen in [locatie 2] niet aanwezig. Voor het volgen van de PDA-opleiding was immers noodzakelijk dat er daadwerkelijk werd lesgegeven, omdat het leren met name plaatsvond in de dagelijkse werkpraktijk.

3.4. Gelet op vorenstaande omstandigheden is de Raad dan ook van oordeel dat het door appellant gepleegde plichtsverzuim een minder ernstig karakter draagt dan het college heeft aangenomen.

3.5. De Raad is verder van oordeel dat het college zich bij het bepalen van de strafmaat ten onrechte in overwegende mate heeft laten leiden - zoals door het college ter zitting is aangegeven - door de omstandigheid dat appellant is geplaatst in de functie van administratief medewerker/planner die gewaardeerd is in schaal 7 en dus drie salarisschalen lager dan de schaal waarin appellant als docent B was ingedeeld. Het toekennen van een zo groot gewicht aan deze omstandigheid acht de Raad in het kader van de strafoplegging een oneigenlijk argument.

4. Gezien het vorenstaande kan de opgelegde straf de rechterlijke toetsing niet doorstaan. Het bestreden besluit dient dan ook te worden vernietigd, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten.

5. Met oog op een definitieve afdoening van het geschil merkt de Raad nog op dat een straf waarbij appellant voor bepaalde tijd twee salarisschalen lager wordt geplaatst, dan wel een straf waarbij appellant voor onbepaalde tijd één salarisschaal lager wordt geplaatst, de rechterlijke toetsing in beginsel wel zou kunnen doorstaan.

6. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding het college op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,- aan kosten wegens in eerste aanleg verleende rechtsbijstand en tot een bedrag van € 644,- aan kosten wegens in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspaak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 22 december 2005 gegrond en vernietigt dit besluit;

Draagt het college op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,-, te betalen door het LSOP;

Bepaalt dat het LSOP aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 347,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en R. Kooper en M.C. Bruning als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2008.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) M. van Berlo.

HD