Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD7232

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2008
Datum publicatie
15-07-2008
Zaaknummer
06-6399 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Functioneel leeftijdsontslag. Schrijnend geval. Arbeidsverleden. Individuele ambtenaren ontlenen rechtspositionele aanspraken niet (rechtstreeks) aan arbeidsvoorwaardenakkoord. Redelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2009/29
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6399 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 27 oktober 2006, 05/784 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: minister)

Datum uitspraak: 3 juli 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2008. Voor appellant is verschenen mr. R.F. van der Ham, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.H.C. van Eck, werkzaam bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is per 1 november 1994 bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat in dienst getreden en is daar sindsdien werkzaam in de functie van [naam functie] bij de divisie [divisie] van de inspectie Verkeer en Waterstaat. Voor ambtenaren in deze functie was tot 1 januari 2000 de Regeling uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag (hierna: FLO-regeling) van toepassing. Op grond van die FLO-regeling bestond bij het vervullen van een functie als die van appellant uitzicht op functioneel leeftijdsontslag bij het bereiken van de 60-jarige leeftijd.

1.2. Ter uitvoering van de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 1999-2000 is met ingang van 1 januari 2000 de FLO-regeling vervangen door een ontslagmogelijkheid voor functies waaraan substantieel bezwarende elementen zijn verbonden. Voor de functies, waaronder ook appellants functie, waarop voorheen de FLO-regeling van toepassing was, maar die na herijking niet zijn aangemerkt als substantieel bezwarend, is met het Besluit overgangsrecht FLO-functies (hierna: FLO-overgangsregeling) van 13 november 1999, Stb. 492, in verband met de intrekking van de FLO-regeling een overgangsvoorziening getroffen.

1.3. Op grond van artikel 4, tweede lid, van de FLO-overgangsregeling gaat voor de ambtenaar die op 1 januari 2000 55 jaar of jonger was het ontslag zoveel maanden eerder in dan zijn ontslag op zijn 65ste jaar, als het aantal jaren, dat de ambtenaar voor 1 januari 2000 een of meer functies waaraan een leeftijdsgrens was verbonden op grond van artikel 97, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, zoals dit artikel luidde voor inwerkingtreding van de FLO-overgangsregeling, zonder wezenlijke onderbreking heeft vervuld, vermenigvuldigd met een factor 2, met een maximum van 60 maanden.

1.4. Omdat, gelet op de bij de divisie [divisie] gehanteerde functie-eis van minimaal tien jaar ervaring in het bedrijfsleven, de bij die divisie werkzame onder de FLO-overgangsregeling vallende functionarissen naar het oordeel van het bevoegde gezag door de beperkte - op de duur van het ambtelijk dienstverband toegespitste - strekking van de overgangsregeling onevenredig in hun belang werden getroffen, is specifiek voor die categorie van medewerkers een aanvullende voorziening voor “schrijnende gevallen” getroffen. De vaststelling van schrijnende gevallen geschiedt aan de hand van (vier) door het bevoegde gezag geformuleerde uitgangspunten. Ingevolge het vierde uitgangspunt kan alleen bij hen die voor een substantieel deel op basis van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam waren in een met een FLO-functie vergelijkbare functie, een schrijnend geval worden aangenomen. In dat geval wordt elk jaar van werkzaamheid in zo’n functie gelijkgesteld met een jaar in ambtelijk dienstverband.

1.5. Bij brief van 31 mei 2004 heeft de minister beslist dat bij appellant geen sprake is van een schrijnend geval, omdat hij de voor indiensttreding bij de divisie [divisie] door appellant vervulde werkzaamheden bij de firma [naam firma] te [vestigingsplaats] niet als vergelijkbaar met de voormalige FLO-functie beschouwt en hem ook overigens niet is gebleken van arbeidsverleden waarin een functie is vervuld vergelijkbaar met de voormalige FLO-functie.

1.6. Bij het ongedateerde besluit op bezwaar met kenmerk 05/P&O/0128 (hierna: bestreden besluit) heeft de minister het tegen het besluit van 31 mei 2004 gemaakte bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3.1. Appellant betoogt in hoger beroep dat in augustus 2003 een overeenkomst is gesloten tussen de directeur hoofdinspecteur van de divisie [divisie] (hierna: DHDS) en de Vakvereniging van Functionarissen Transportveiligheid (hierna: VFT) en dat een regeling tot stand is gekomen, waarin het uitgangspunt “dat een medewerker voor een substantieel deel op basis van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam moet zijn geweest in een met een FLO-functie vergelijkbare functie” niet is opgenomen. Appellant verwijst in dat verband naar de inhoud van het memo van 18 augustus 2003, waaruit een en ander naar zijn mening blijkt. Appellant mocht er dan ook op vertrouwen dat voor hem dit uitgangspunt niet geldt en dat hem, nu hij ook aan de overige randvoorwaarden voldoet, de aanvullende voorziening zou worden toegekend. Appellant blijft voorts van mening dat de DHDS bevoegd was afspraken te maken om (aanvullende) regelingen op rechtspositioneel terrein vast te stellen. Indien en voor zover de DHDS niet bevoegd was, beroept appellant zich met verwijzing naar uitspraken van deze Raad en van de Hoge Raad, op het vertrouwensbeginsel.

3.2. De minister heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

4.1. De Raad ziet uit de gedingstukken naar voren komen dat er in 2002 en 2003 veelvuldig overleg is geweest tussen de DHDS, het hoofd P&O van de divisie [divisie] en de VFT over de te hanteren uitgangspunten bij het treffen van een aanvullende voorziening. Op basis van de inhoud van het memo van de DHDS van 18 augustus 2003 kan naar het oordeel van de Raad slechts worden vastgesteld dat in augustus 2003 tussen de DHDS en de VFT overeenstemming is bereikt over een voorstel over de uitgangspunten voor de vaststelling van schrijnende gevallen. Het uitgangspunt “dat een medewerker voor een substantieel deel op basis van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam moet zijn geweest in een met een FLO-functie vergelijkbare functie”, komt in dat voorstel niet voor.

4.2. De Raad stelt voorop dat individuele ambtenaren als appellant volgens vaste rechtspraak (CRvB 20 maart 2003, LJN AF6575 en TAR 2003, 119) rechtspositionele aanspraken niet (rechtstreeks) ontlenen aan een arbeidsvoorwaardenakkoord. Zij ontlenen die aanspraken aan de ter bepaling van hun rechtspositie vastgestelde algemeen verbindende voorschriften en in dat kader gegeven beleidsregel alsook aan bevoegdelijk gedane toezeggingen. Dit uitgangspunt geldt te meer in een geval als dit, waar de DHDS niet bevoegd was tot het sluiten van een zodanig akkoord. Uit het slot van de brief van

18 augustus 2003 volgt dat ten aanzien van het voorstel nog instemming diende te worden verkregen van de plaatsvervangend secretaris-generaal. De grief van appellant slaagt dus niet.

4.3. Nu overigens niet in geschil is dat de functie die appellant voor zijn indiensttreding bij de divisie [divisie] bij de firma [naam firma] vervulde geen FLO-achtige functie betrof, komt de Raad gelet op het vorenoverwogene tot de slotsom dat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in het geval van appellant geen sprake is van een schrijnend geval dat aanleiding geeft tot het treffen van een aanvullende voorziening.

5. Gezien het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

6. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en G.F. Walgemoed als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2008.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M.B. de Gooijer.

HD